VERSLAVING IN HET LICHT VAN DE PSYCHOPHARMACOLOGIE
VERSLAVING IN HET LICHT VAN DE PSYCHOPHARMACOLOGIE
Het woord verslaving dat algemeen gebruikt wordt
kan nogal eens tot verwarring leiden. Er wordt de laatste tijd in toenemende
mate de aandacht gevestigd op "nieuwe" verslavingen zoals vraatzucht
(bulimia), magerzucht (anorexia), gokzucht (om van sex- en werkverslaving maar
niet te spreken). Het gaat hier om gedragspatronen, die in toenemende mate deel
uit gaan maken van het "verslavingsprobleem" zoals dat
maatschappelijk wordt gepercipiëerd en waarvoor vaak naar de AA gemodelleerde
behandelingssystemen worden opgezet. Deze "verslavingen" leiden tot
twee elkaar uitsluitende vragen: of men moet zich afvragen of deze
gedragspatronen echt verslavingen zijn, of men moet zich afvragen of het zinvol
is het verslavingsbegrip zo uit te breiden dat het veel verder strekt dan verslaving
aan alcohol, tabak of drugs. Het woord verslaving is kennelijk te slecht
gedefiniëerd om hier duidelijkheid te verschaffen. Bezien wij verslaving aan alcohol. Het moge duidelijk zijn dat
een Fransman het begrip "verslaafd aan alcohol" anders waardeert dan
een Zweed. Pas als we het over verslaving aan drugs hebben, lijkt het wel alsof
er opeens een sterke consensus bestaat over de inhoud van het begrip
verslaving. Maar zelfs dan kunnen we niet ontkennen dat een Nederlander ten
aanzien van het gebruik van hashish bepaald andere connotaties heeft, dan een
Duitser, om van de Pakistaanse boer maar niet te spreken. Voor een Noorse
rechter is het bezit van khat iets totaal anders dan voor zijn Yemenitische
collega. Het woord verslaving wordt dus ook verschillend geïnterpreteerd
wanneer we het over verslaving aan drugs hebben. Er zijn twee benaderingen die
deze verschillen in opvatting lijken te kunnen overbruggen. De bijbehorende
trefwoorden zijn: afhankelijkheid endeviantie.
Afhankelijkheid.
We spreken hier over verslaving aan drugs, we
bedoelen dan verslaving aan stoffen die inwerken op de menselijke hersenen.
Wanneer iemand psychopharmaca krijgt toegediend
door de dokter of ze zelf neemt, komen ze via het bloed bij de synaps en
beïnvloeden daar de prikkeloverdracht. Sommige psychopharmaca b.v. de opiaten,
prikkelen daar direct de receptoren, dit dus zonder dat er een electrisch
signaal, een actiepotentiaal, aan te pas komt.
Bij die kunstmatige prikkeling van de receptoren
gaat het echter om veel grotere hoeveelheden (imitatie)-neurotransmitter dan
wanneer de echte neurotransmitter onder invloed van een actiepotentiaal wordt
afgescheiden. De receptoren worden overstroomd. Wanneer dit een enkele maal of
met grote tussenpozen geschiedt, heeft dit verder geen gevolgen, maar wanneer
dit vaak gebeurt, reageren de cellen hierop door het aanmaken van meer
receptoren om deze regelmatig terugkerende overvloed te kunnen verwerken.Dat
heeft dan weer tot gevolg dat het effect van de toegediende dosis kleiner wordt.
Dit verschijnsel heet tolerantie: de
gebruiker heeft steeds meer nodig van de stof om hetzelfde effect te bereiken.
Daarnaast treedt het verschijnsel op dat wanneer
de toediening van de stof wordt gestaakt, de hoeveelheid van het natuurlijke
neurotransmitter te gering is voor de sterk toegenomen aantallen receptoren. De
zenuwcellen zijn gewend geraakt aan de toediening van grote hoeveelheden
imitatie-neurotransmitter, het lichaam is gewend geraakt aan de aanwezigheid
van de stof, het kan zonder niet meer functioneren, het heeft de stof "nodig". Dit noemt men lichamelijke afhankelijkheid. Het
staken van de toediening leidt dan ook tot ziekteverschijnselen, de zogenaamde
onthoudingsverschijnselen, ook wel het abstinentiesyndroom
genoemd. Drie kenmerken zijn vereist om van een onthoudingssyndroom te kunnen
spreken:
- aanvang
binnen een vaste termijn, waarvan de lengte afhankelijk is van de werkingsduur
van de betreffende stof;
- de
ontwikkeling van nieuwe symptomen gedurende het abstinentiesyndroom;
- de symptomen
moeten na een piek ook weer verdwijnen.
Zowel lichamelijke afhankelijkheid als tolerantie
zijn verschijnselen die niet zozeer van de persoon in kwestie afhangen, maar
liggen in de aard van de stof.
Wel kunnen allerlei genetische factoren de inwerking
van de stof beïnvloeden. Voorbeeld daarvan is het mindere vermogen van vrouwen
tot het afbreken van alcohol door een lagere activiteit van het
alcoholafbrekende enzym alcohol-dehydrogenase. Een ander voorbeeld is de
verminderde omzetting van codeïne in morfine bij mensen met een bijzondere vorm
van het drug-afbrekende enzym cytochroom P-450, waardoor bij hen de codeïne
niet het gebruikelijke pijnstillend effect heeft.
Dierexperimenteel onderzoek toont ook een
interindividueel, genetisch bepaald, verschil aan in gevoeligheid voor morfine
(6). Eriksson et al. (7) toonden voorts aan dat paternaal morfinegebruik bij
ratten invloed had op hun eerste generatie nakomelingen had (verminderd
geboortegewicht, verhoogde perinatale sterfte en verhoogde gevoeligheid voor
het analgetische effect van morfine), een effect dat echter niet aanwezig was
bij de tweede generatie, dus niet via blijvende wijziging van het genoom wordt
veroorzaakt, waar wel door beinvloeding van de spermatogenese.
Maar zelfs als we rekening houden met dit soort
genetisch bepaalde verschillen, kunnen we toch zeggen dat lichamelijke
afhankelijkheid en tolerantie in principe bij iedereen optreden, die gedurende
enige tijd min of meer voortdurend imitatie-neurotransmitters toegediend
krijgt, zoals b.v. het geval is met opiaten als pijnstillers na zware operaties
of in het kader van andere met pijn gepaard gaande ziekten. Toch zijn onze ziekenhuizen niet bepaald junkie‑fabrieken.
Weliswaar breken doktoren de toediening van opiaten nooit plotseling af (ze
doen de toegediende dosering in enkele dagen afnemen tot nul (uitsluipen wordt dat genoemd), maar deze
patienten rennen i.t.t. junkies na zo'n zelfde proces (een reductiekuur in de
verslavingsterminologie) niet meteen naar de dealer. Kortom de lichamelijke
afhankelijkheid is niet bepalend voor de verslaving, er moet iets anders bij
komen. Dat andere aspect is de psychische
afhankelijkheid.
Psychische afhankelijkheid hangt i.t.t.
lichamelijke afhankelijkheid minder van de stof dan van de gebruiker af. Psychische
afhankelijkheid heeft te maken met "lekker".
Iets kan zo zo lekker zijn, dat je bijna niet zonder kunt. Maar of je iets
lekker vindt hangt niet van dat iets af, maar van jou. De een houdt van zoet,
terwijl iemand anders juist van hartig houdt. Je kunt dus niet van een stof
zeggen dat het geestelijke afhankelijkheid geeft. Wel kun je constateren dat er
veel meer mensen zijn die zoet lekker vinden, dan hartig. Dus dat de kans dat
iemand die nog nooit iets zoets heeft geproefd, zoet lekker zal vinden groot
is. Om te kunnen nagaan waar dit verschijnsel op berust moeten we nader ingaan
op de effecten van de als verslavend aangemerkte psychopharmaca.
Bij de bespreking van de subcorticale kernen werd
reeds de aandacht gevestigd op de nucleus
accumbens. We zagen reeds dat deze groep cellen als een soort
straf/beloningscentrum fungeert. Men kan nu dierexperimenteel aanwijzingen
verkrijgen over de mate waarin de stof verslavend is. Dit doet men door dieren
in staat te stellen door op een knop te drukken zichzelf via een permanent
ingebracht infuus een stof toe te dienen. Indien de stof
"verslavende" eigenschappen heeft, ziet men dat deze dieren zichzelf
op deze wijze in toenemende mate die stof toedienen. Men noemt dit
zelfinjectiegedrag.
Het gedrag van dieren (i.h.a. ratten of apen) in
deze mag niet zonder meer als identiek met dat van mensen worden beschouwd,
hoewel als het om "verslaving" gaat dat vaak geschiedt. Ten eerste
omdat deze proefdieren altijd geïsoleerd zitten: geen sociale interacties aan
kunnen gaan en dus geen andere belonende prikkels kunnen ontvangen. Er rest dan
weinig anders dan toediening van een "chemische" beloning. Denk
hierbij ook maar eens aan het druggebruik van mensen in de gevangenis. Wanneer
de omgeving ook andere belonende prikkels biedt, wordt het belang van de
chemische beloning geringer.
Het tweede verschil is dat mensen een veel
gecompliceerder gedragsrepertoire hebben, anders gezegd ze hebben meer
mogelijkheden met hun cortex om hun gedrag te modificeren. Het psychische afhankelijkheidsgedrag
van mensen treedt pas op als noch de interne omgeving (b.v. bij psychiatrische
stoornissen), noch de externe omgeving (maatschappelijke en gezinssituaties)
voldoende belonende prikkels biedt. Dan pas zien we psychische afhankelijkheid optreden.
Men hoeft dan ook niet per sé psychisch afhankelijk te zijn van stoffen die het beloningscentrum
prikkelen, maar men kan ook psychisch afhankelijk worden van andere belonende
activiteiten. Het beste voorbeeld daarvan is gokken. De spanning die dat
oproept beloont bij sommigen evenzeer, zodat men van gokverslaving gaat
spreken. Op vergelijkbare wijze spreekt men van eetverslaving (vraatzucht) of
het tegendeel ervan anorexia (magerzucht).
Dit alles laat natuurlijk onverlet dat sommige
stoffen het menselijk beloningscentrum sterker prikkelen dan anderen en dus
sneller afhankelijkheidsgedrag oproepen.
Voorts kan nog de vraag gesteld worden of
"verslaving" niet gebruik en begrip van taalsymbolen impliceert.
Volgens Lindesmith (8) is dit het geval en kunnen b.v. chimpansees niet
verslaafd raken. Hij beschouwt chimpansees die craving vertonen (9), net als patienten die zonder te
weten dat ze morfine krijgen craving vertonen, maar dan gericht op
pijnbestrijding of nog direkter gericht op het krijgen van een injectie en
noemt die niet verslaafd, i.t.t. Spraggs die beide wel verslaafd acht.
Deviantie.
Een geheel ander aspect, het aspect van norm en
normoverschrijding, is echter ook duidelijk: naarmate gedrag meer van de locale
norm afwijkt zijn we eerder geneigd het als verslaving te kenmerken.
Deze maatschappelijke normering wordt bepalend als
door de vigerende gedragsnormen het simpele gebruik van de stof wordt
veroordeeld.
Het gedrag van junkies wordt, terecht,
veroordeeld. Maar, heeft dit te maken met "drugs" of met een speciale
situatie van afhankelijkheid, een situatie waarin het object van je
afhankelijkheid "schaars" is?
We zagen in het voorgaande dat het gedrag dat we
verslaving noemen het gedrag is dat resulteert als een stof lichamelijke afhankelijkheid
geeft, dus nodig is, en
stressverminderend werkt, dus lekker
is en dat als deze stof tevens verboden is, dus schaars is, dit gedrag het patroon van junkiegedrag aanneemt.
Hetzelfde schema kan worden toegepast op alle
andere psychoactieve stoffen of ze nu legaal zijn zoals alcohol en tabak,
semi-legaal zoals de tranquillizers en de slaapmiddelen of illegaal zoals de
stoffen die we dan opeens als drugs aanduiden. Al deze stoffen oefenen hun
werking immers uit door op de een of andere manier te interfereren met het
prikkeloverdrachts-mechanisme tussen zenuwcellen. De verschillende effecten
berusten dan op de verschillen tussen de werking van de betreffende
neurotransmitters en de verschillende eigenschappen daarvan.
Bij het hanteren van het woord
"verslaving" hanteren we dus een variabele coctail van de begrippen
lichamelijke afhankelijkheid, psychische afhankelijkheid en
"overlast", de mate waarin de uiteindelijke gedragsresultante afwijkt
van onze norm. Daarmee verlaten we het
begrip afhankelijkheid en stappen over op het eerder genoemde andere begrip
"deviantie".
Ten aanzien van elk gegeven zien we bij het
menselijke gedrag een verdeling volgens Gauss, de bel-curve. In het midden ligt
de vigerende norm. Het maakt niet uit welke dat is. Aan beide zijden zien we
afwijkingen. De eerste standaard-deviatie heeft geen betekenis. De tweede wordt
al "ach, hij/zij is nu eenmaal zo". Wel afwijkend maar niet ernstig.
Pas als we voorbij de tweede standaard-deviatie komen wordt het moeilijk. We
hebben verschilllende methoden om daarmee om te gaan. Echter, al die methoden
moeten aan een vereiste voldoen: het moet ontdaan worden van het bedreigende
karakter. Immers, de samenleving is niet zomaar een zootje losse individuen,
neen, de samenleving wordt gedefiniëerd als een verzameling mensen die het over
een aantal dingen min of meer met elkaar eens zijn. En waar we het min of meer
over met elkaar eens zijn, zijn onze waarden en de daaropgebaseerde
gedragsregels, onze normen.
Sterke afwijking daarvan is principiëel bedreigend
voor de samenleving. Dus moeten we die bedreiging bezweren en dat doen
wij door medicaliseren, pathologiseren van dit gedrag: we creëren de
verslavingsziekte. De medische stand is daarbij rond de eeuwwisseling uiterst
instrumenteel geweest (10).
Laatst aangepast (maandag, 06 juni 2011 10:51)


