WERKING VAN HET ZENUWSTELSEL
WERKING VAN HET ZENUWSTELSEL
Om de werking van psychopharmaca, de pharmaca die
op onze hersenen inwerken en daarmee onze geest beïnvloeden, te begrijpen is
enig inzicht in de werking en de bouw van hersenen noodzakelijk. Derhalve eerst
iets over hersenen.
Hersenen worden veelvuldig vergeleken met
computers. Punt van overeenkomst is b.v. dat in beide informatie-verwerkende
systemen de informatie gedragen wordt door electriciteit. Echter, de elementen
waaruit een computer is opgebouwd, zijn aan elkaar gekoppeld: de computer is
een continu systeem. Onze hersenen daarentegen zijn opgebouwd uit zenuwcellen, neuronen genaamd, die niet aan elkaar
vastzitten: onze hersenen zijn discontinu. Ons brein bevat circa 10 000 000 000
van deze neuronen en bovendien een veelvoud daarvan
aan steuncellen welke glia‑cellen worden genoemd.
Elke zenuwcel staat met circa 10 000 andere in verbinding waardoor ze samen een
netwerk vormen vergeleken waarmee de meest geavanceerde supercomputer slechts
een rudiment is.
Neuronen bestaan uit een cellichaam met een lange
uitloper, axon genoemd, die contact
maakt met de dendrieten van andere
neuronen.
fig. 1
Schema van twee neuronen
Het bijzondere van neuronen is het feit dat er een
potentiaalverschil bestaat tussen de binnenkant en
de buitenkant van de cel als gevolg van verschillen in de
concentratie van Natrium en Kalium ionen. Buiten
de cel bevinden zich veel Na‑ionen erin veel K‑ionen. Verstoring van deze
verhouding heeft een verandering van het potentiaal-verschil tot gevolg. Deze verstoring
kan zich als een soort golfbeweging langs het oppervlak van de zenuwcel
verplaatsen. Zo'n zich verplaatsende verstoring wordt een actiepotentiaal genoemd. Ze worden voortgeleid
langs de lange uitlopers van die zenuwcellen de axonen en brengen op die wijze
boodschappen over. Wanneer een actiepotentiaal aan het eind van het axon komt,
springt daar geen vonk over naar de dendriet,
maar wordt een stof vrijgemaakt die opgeslagen ligt blaasjes in het einde van
het axon. Deze stof, een neurotransmitter,
passeert de presynaptische membraan,
drijft door de nauwe spleet tussen het axon en de dendriet van het volgende
neuron, de synaps, en reageert met
speciale moleculen in de celwand van het volgende neuron. Deze moleculen wordenreceptoren genoemd en liggen in de postsynaptische membraan. Zie figuren
2, 3 en 4.
Op elke zenuwcel zitten zo'n tienduizend synapsen
waarvan er altijd wel een aantal actief is. Die activiteit veroorzaakt dus
voortdurend zulke verstoringen van dat spanningsverschil.
Telkens wanneer de resultante van al die
verstoringen een bepaalde grenswaarde overschrijdt, produceert de zenuwcel een
nieuwe actiepotentiaal die langs de uitloper van die cel weer naar volgende
synapsen wordt overgebracht.
Fig. 2.
Electronenmicroscopische foto van een synaps
a.
presynaptisch neuron met blaasjes
b.
synaptische spleet
c.
postsynaptische membraan
Nadat de neurotransmitter als een sleutel het slot
van de deur heeft geopend wordt deze uit de receptor gestoten en hetzij
afgebroken, hetzij voor hergebruik weer opgenomen in het axon-uiteinde. Dit
laatste proces heet "re-uptake".
Stoffen die de re-uptake blokkeren, verhevigen het
Fig.3.
De gang van de neurotransmitter in de synaps
Fig. 4.
Electronenmicroscopische foto van een synaps
De
pijlen geven blaasjes aan die hun inhoud,
neurotransmittermoleculen,
in de synaptische
spleet
uitstorten.
effect van de neurotransmitter, doordat deze dan
in de synaptische spleet blijven en de receptoren kunnen blijven prikkelen.
De zenuwcel is dus een soort kleine rekenmachine
die slechts kan optellen (als de verstoringen elkaar versterken) of aftrekken
(als de verstoringen elkaar tegenwerken) en is daarin te vergelijken met een transistor in een computer.
Een voorbeeld mag dit proces verduidelijken.
Iedereen kent de kniepeesreflex: een tikje op de kniepees doet het gebogen been
strekken. Het onderliggende mechanisme is dat de tik van de hamer op de
kniepees een zintuigje in die pees
prikkelt dat een signaal, een of een reeks actiepotentialen doorgeeft langs de
zenuw naar een synaps in het ruggemerg. De neurotransmitter die daar vrijkomt
prikkelt een volgende cel
waarvan de uitloper de actiepotentialen naar de
spieren in het bovenbeen stuurt die vervolgens samentrekken zodat het been zich
strekt. Zo gemakkelijk als het voor de arts is deze reflex bij eenieder op te
wekken, zo moeilijk is het om dat bij zichzelf te doen. De reden is dat de
concentratie van het individu die dat probeert komt ook in de vorm van een
reeks tegenwerkende actiepotentialen afkomstig uit de grote hersenen op
diezelfde ruggemergcel af en daar heffen deze het effect van de
actiepotentialen uit het kniepeeszintuigje op: er gaan geen of zeer weinig
actiepotentialen naar de bovenbeenspieren, het been blijft gebogen.
hersenen
motorische
zenuw
dijspier
kniepees gevoelszenuw
Fig. 5.
Schema van de kniepeesreflex
Dat de communicatie tussen zenuwcellen geschiedt
door het vrijmaken van chemische stoffen werd waarschijnlijk voor het eerst
voorgesteld door de britse physioloog Thomas Elliot in 1905 maar directe
aanwijzingen werden gevonden door Otto Loewi in 1921. Hij deed een kikkerhart
in een zoutoplossing waardoor het bleef kloppen en liet de vloeistof vervolgens
door een tweede kikkerhart stromen. Vervolgens stimuleerde hij de nervus vagus,
de zenuw die het hart langzamer laat kloppen, van het eerste hart. Dat ging
toen naar verwachting langzamer kloppen, maar onverwachts ging het tweede hart
ook langzamer kloppen, zonder dat de nervus vagus daarvan werd geprikkeld. Er
moest dus een chemische stof vrijgemaakt zijn uit de nervus vagus van het
eerste hart, die met de perfusie-vloeistof in het tweede hart kwam en ook dat
beïnvloedde. Deze stof werd later geïdentificeerd door Sir Henry Dale als
acetylcholine.
Fig. 6.
Loewi's experiment
T =
tijdschaal
S =
stimulus
D =
contracties D-hart
R =
contracties R-hart
Zoals reeds gezegd is de reactie tussen
neurotransmitter en receptor een zeer specifieke. Aanvankelijk dacht men dat er
slechts enkele neurotransmitters waren, het reeds eerder genoemde acetylcholine
en een aantal organische ammonium- verbindingen de zgn. biogene amines:
adrenaline, noradrenaline serotonine, dopamine en histamine. Vervolgens bleken
ook een aantal aminozuren (de bouwstenen van de eiwitten) als neurotransmitter
te fungeren waarvan gamma‑amino‑boterzuur (GABA) en glycine de belangrijksten
zijn. Tenslotte bleken in de zeventiger jaren ook een aantal peptiden (kleine
aminozuurketens) deze functie te vervullen. Tot op heden zijn ruim dertig stoffen als neurotransmitter
geïdentificeerd en er zullen naar verwachting nog vele volgen. Daarnaast
bestaan er stoffen die niet direct als neurotransmitter functioneren maar
invloed uitoefenen op de werking van de neurotransmitters de zgn.
neuromodulatoren door hun effect op bv. de stofwisseling van de
neurotransmitters. Tenslotte is het ook mogelijk dat zenuwen stoffen afscheiden
die niet in een synaptische spleet terecht komen maar in het bloed of in de
vrije extracellulaire ruimte en dan als hormoon werken.
Alle psychopharmaca hebben hun effecten doordat ze
op enigerlei wijze de neurotransmissie bij de synaps beïnvloeden. Ze kunnen dit
op verschillende manieren doen. Allereerst kan de aanmaak, de synthese, van de neurotransmitter
worden bevorderd door het toedienen van de bouwstenen ervan. Vervolgens wordt
de neurotransmitter in blaasjes opgeslagen (storage). Drugs kunnen hier invloed op hebben, het duidelijkst door
de blaasjes die de transmitter beschermen tegen afbrekende enzymen, open te
breken, zodat deze enzymen de transmitter vernietigen, wat dan leidt tot
verlies van het effect van de betreffende neurotransmitter. De derde fase is de
afscheiding in de synaptische spleet: release.
Sommige drugs verhogen de afscheiding of werken deze juist tegen, met als
gevolg verheviging of vermindering van het effect. De vierde fase is de prikkeling van de receptor: veel
psychopharmaca imiteren de neurotransmitter door zelf de receptoren te
prikkelen.
Na de receptor geprikkeld te hebben, komt de
neurotransmitter weer in de synaptische spleet. Daar kunnen dan twee dingen
gebeuren: er vindt enzymatische afbraak
van de neurotransmitter plaats als deze door de receptor wordt losgelaten, of
er vindt re-uptake plaats: de
neurotransmittermoleculen worden weer opgenomen door het presynaptische neuron
voor hernieuwd gebruik. Drugs kunnen de afbraak versterken of juist afremmen en
eveneens de re-uptake blokkeren of bevorderen.
Tenslotte zijn er drugs die ingrijpen in de
mechanismen die binnenin de cel verlopen na prikkeling door een
neuro-transmitter en daardoor het effect versterken of juist remmen. We spreken
dan van beïnvloeding van de post-receptor-mechanismen.
Laatst aangepast (maandag, 06 juni 2011 10:49)


