Hoofdstuk 2. Justitieel beleid
Het justitieel beleid zal, als onderdeel van het algemeen drugbeleid met de onder 1.2 vermelde doelstelling rekening moeten houden.
2.1. Legislatieve mogelijkheden
Bij het ingaan op de onder 1.1. genoemde vragen betreffende de rechtsgrond van de strafbaarstelling, de doelmatigheid van de bestaande sancties en de eventueel aan te brengen gradaties, stelt de werkgroep de risicogedachte voorop. De werkgroep heeft zich bezonnen op de verschillende mogelijkheden van wetgeving inzake drugs, op de bruikbaarheid van de mogelijke regelingen voor de verwezenlijking van de doelstelling, en op de voor- en nadelen die aan de verschillende regelingen zouden zijn verbonden. Daarbij is de volgende indeling gemaakt.
1. Handel in drugs die, naar de mening van de werkgroep, een onaanvaardbaar risico opleveren.
2. Gebruik van drugs die, naar de mening van de werkgroep, een onaanvaardbaar risico opleveren:
a. chronisch gebruik
b. experimenterend gebruik.
3. Handel in hennep (producten) en gebruik van hennep (producten).
2.1.1. Handel in drugs die, naar de mening van de werkgroep, een onaanvaardbaar risico opleveren.
Over de grote risicos van het gebruik van stoffen als amfetamine, opium, morfine, heroïne en L.S.D. bestaat geen verschil van
mening. Daaruit volgt, dat, hoe men ook staat tegenover de gebruiker, ten aanzien van de handelaar in elk geval geldt dat hij de gezondheid van zijn afnemers in gevaar brengt. De strafwaardigheid van zijn gedrag staat dan ook niet ter discussie evenmin als de opvatting dat die gedraging als een misdrijf moet worden beschouwd. Ten aanzien van amfetaminen werd deze opvatting echter nog niet in een wettelijke bepaling neergelegd. Afleveren van amfetamine is ingevolge artikel 4A jo artikel 31 van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening een overtreding die wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden. Om te voldoen aan de desbetreffende voorwaarde voor uitlevering in het Europees Verdrag betreffende uitlevering en de Uitleveringswet zou het maximum van de bedreigde vrijheidsstraf tot een jaar moeten worden opgetrokken. Overigens is de werkgroep van mening dat ook handel in de verbodsbepaling dient te worden opgenomen.
2.1.2. Gebruik van drugs die, naar de mening van de werkgroep, een onaanvaardbaar risico opleveren
a. De chronische gebruiker van deze drugs is voor zover hij afhankelijk is geworden van die stof, meestal een patiënt. Strafrechtelijke bejegening is geen adequate benadering. Daar staat tegenover dat in de huidige situatie, pressie om hulp te zoeken en zich ook overeenkomstig een hulpverleningsprogramma te gedragen, veelal slechts kan worden uitgeoefend via het strafrecht. Bij voorwaardelijke veroordeling of een voorwaardelijk sepot, kan de voorwaarde worden opgelegd zich onder controle of behandeling te stellen. Met toepassing van art. 37, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, kan een gedwongen intramurale behandeling plaats vinden. In verband met deze beperkte mogelijkheden zal men voorlopig het misdrijfkarakter van chronisch gebruik van deze stoffen moeten handhaven als middel tot een gedwongen hulpzoeken. Het opleggen van een boete aan patiënten-gebruikers acht de werkgroep een zinloze bejegening en zij zou daarom chronisch gebruik van deze stoffen niet tot een overtreding terug willen brengen.
Tot de door de werkgroep in beginsel wenselijk geachte decriminalisering van chronisch gebruik, kan men pas overgaan als het hulp- en dienstverleningssysteem op deze problematiek is afgestemd {zie hoofdstuk 4).
Voor een aantal jongeren zou opneming in een inrichting voor behandeling, bestemd tot opvoeding van minderjarigen die een psychotherapeutische behandeling behoeven (Uitvoeringsbesluit Kinderbescherming, artikel 96 onder 9), een oplossing zijn. Deze opneming kan voortvioeien uit een civielrechtelijke ondertoezichtstelling. Voorzover de werkgroep bekend, werd tot nu toe nimmer een maatregel van kinderbescherming uitgelokt uitsluitend op grond van het feit dat de minderjarige aan drugs verslaafd was. De omstandigheid dat er nog geen inrichting bestaat die over de mogelijkheden beschikt en de bereidheid heeft om niet-gemotiveerde jongeren in behandeling te nemen, zou het uitlokken van een dergelijke maatregel ook tot een loos gebaar maken. Het ontbreken van zo'n inrichting heeft tot nu toe tot gevolg gehad dat een niet te verwaarlozen aantal jeugdigen in de grote steden, op wie reeds uit anderen hoofde een maatregel van kinderbescherming van toepassing is en die tevens aan drugs verslaafd zijn geraakt, niet geholpen kan worden .
Als de door de werkgroep in het onderdeel hulpverlening aanbevolen maatregelen gerealiseerd zouden worden, kan van de civiel rechtelijke ondertoezichtstelling een bijdrage aan de hulpverlening worden verwacht. Zeker wanneer de visie op de jeugdbescherming, als onderdeel van het totaal van het maatschappelijk welzijn, neergelegd in het rapport Wiarda van de commissie voor de herziening van het Kinderbeschermingsrecht (1) wordt verwezenlijkt, liggen hier mogelijkheden die voor de jeugd aanvaardbaar zijn en waarvan de jeugdrechter ook gebruik zal willen maken. De bereidheid van deze inrichtingen om jeugdige verslaafden op te nemen, ook als zij niet gemotiveerd zijn, is daartoe echter een noodzakelijke voorwaarde. De werkgroep meent dat hier voor het in de nota Wiersma (2) voorgestelde plaatsingsteam dat zou kunnen uitgroeien tot een intake-orgaan, een belangrijke taak ligt.
b. Ten aanzien van experimenterende en beginnende gebruikers van de hier aan de orde zijnde drugs, is een poging tot gedragsbeïnvloeding door middel van strafbedreiging, naar de mening van de werkgroep niet onaanvaardbaar. Een dergelijke strafbedreiging moet gezien worden als een middel tot preventie. Voorlichting dient bij die preventie de belangrijkste rol te spelen. De werkgroep acht het echter niet onaannemelijk dat in een dergelijke situatie een generaal-preventieve werking van de strafbedreiging uitgaat, m.a.w. dat potentiële gebruikers zich door de verbodsbepaling laten weerhouden.
Met dergelijke situatie wordt gedoeld op de omstandigheid dat jongeren die behoren tot de geëxponeerde groepen, dikwij is niet weten welke g rote risicos het experimenterend gebruik van bepaalde stoffen met zich mee brengt. Verbodsbepalingen om het individu tegen zijn eigen onvoorzichtigheid te beschermen zijn in zon situatie niet misplaatst. Dergelijk bepalingen vindt men ook in andere sectoren van de wetgeving (Veiligheidswet, Reglement verkeersregels en verkeerstekens : verplichting tot het dragen van een valhelm voor motorrijders).
De werkgroep realiseert zich terdege welke nadelige neveneffecten, onder meer stigmatisering en secundaire deviatie, veroordeling wegens misdrijf kan hebben. Zoals hierboven onder a werd uiteengezet, is decriminalisering van chronisch gebruik van drugs, naar de mening van de werkgroep, nog niet mogelijk. Ook het terugbrengen van dit gebruik tot een overtreding, werd op grond van de daar naar voren gebrachte overweging dat het veroordelen van drugpatiënten tot een boete zinloos is, verworpen.
Ten aanzien van experimenterende en beginnende gebruikers zouden boetes daarentegen wel effect kunnen hebben. Een onderscheid tussen experimenterend of beginnend gebruik en chronisch gebruik met het oog op een onderscheid tussen overtreding en misdrijf zou echter een doelmatig justitieel beleid in de weg staan. In geval van vervolging zou het chronisch gebruik steeds moeten worden bewezen, hetgeen dikwijls niet mogelijk zal zijn.
In de tenlastelegging zou primair chronisch gebruik,subsidiair incidenteel gebruik worden gesteld en de zaak zou ingevolge artikel 349, tweede lid, Wetboek van Strafvordering toch niet door de kantonrechter maar door de rechtbank worden berecht, waardoor het mogelijke voordeel van een wat informele behandeling ter terechtzitting zou vervallen. Door deze processuele complicaties zou het zoeken van de beste oplossing voor de individuele gevallen ernstig belemmerd worden. De werkgroep laat in dit verband onbesproken de legislatieve moeilijkheid om een deugdelijk criterium te vinden met behulp waarvan chronisch gebruik van incidenteel gebruik in de delictsomschrijving zou kunnen worden onderscheiden.
Zolang decriminalisering van het chronisch gebruik van de farmacologisch sterk werkende drugs nog niet uitvoerbaar is - en deze uitvoerbaarheid hangt ten nauwste samen met de juridische en therapeutische mogelijkheden van hulpverlening zonder tussenkomst van de strafrechter aan drugpatiënten die weinig of niet zijn gemotiveerd - zal derhalve ook experimenterend en beginnend gebruik van deze drugs een misdrijf moeten blijven. Door middel van een genuanceerd vervolgingsbeleid en straftoemetingsbeleid zal gezocht moeten worden naar een doelmatige bejegening van de incidentele gebruiker van deze drugs.
2.1.3. Handel in hennepproducten en gebruik van hennepproducten.
In de bestaande wetgeving t.a.v. hennep wordt voorbijgegaan aan het feit dat het risico van het gebruik van hennep voor het individu niet op één lijn mag worden gesteld met het risico van het gebruik van stoffen die ook in de gebruikelijke dosis een sterke farmacologische werking hebben (zie 1.1.). Daardoor boet de drugwetgeving aan prestige in en is de voorlichting, waarbij naar de wettelijke regeling wordt verwezen, weinig geloofwaardig. Een voorlichting waarbij niet aan de wettelijke regeling wordt gerefereerd, is onvolledig en voor de overheid niet aanvaardbaar.
Weliswaar biedt het opportuniteitsbeginsel mogelijkheden tot differentiatie in het vervolgingsbeleid! een principieel opzijschuiven van de wettelijke bepalingen kan daarvan echter niet worden verwacht. Het opportuniteitsbeginsel mag daartoe ook niet worden aangewend.
Gezien de onbevredigende situatie die het gevolg is van de bestaande wetgeving, heeft de werkgroep onderzocht of een wetswijziging zou voldoen waarbij het gebruik van hennepproducten, inclusief bezit voor eigen gebruik, en kleine handel, worden teruggebracht tot een overtreding, terwijl de grote handel een misdrijf blijft waarop gevangenisstraf van ten hoogste één jaar is gesteld. Een dergelijke regeling zou niet in strijd zijn met het Enkelvoudig Verdrag (zie deel 1, onder 5.1.1.) Als grote handel zou b.v. aangemerkt kunnen worden handel in partijen boven de 250 gram.
Het voordeel van een dergelijke regeling zou zijn dat de geringere werking in farmacologisch opzicht ook in de wettelijke regeling tot uitdrukking zou komen. Door een differentiatie ten aanzien van de onder 2.1.1. en 2.1.2. bedoelde drugs zou worden voorkomen dat de minst werkzame stof het eerst en het meest volledig uit de markt wordt gedrukt. Dit is van belang, daar in het verleden enige malen een verschuiving naar sterk werkzame drugs kon worden geconstateerd tengevolge van een te gering aanbod van hennep op de illegale markt. De nadelige neveneffecten van vervolging en veroordeling wegens misdrijf zouden worden vermeden. Veroordeling wegens overtreding wordt als regel niet in het strafregister opgenomen. Een strafvervolging kan worden voorkomen door voldoening aan de transactievoorwaarden van het openbaar ministerie.
Het is echter zeer de vraag of met een dergelijke regeling aanbod en gebruik van hennepproducten wel enigszins beperkt worden. Men zou zich kunnen indenken dat aan overtredingen die een zo weinig hinderlijk en een zo onopvallend karakter dragen als het gebruik van hennepproducten, door de politie weinig aandacht zal worden besteed. Zonder contacten met gebruikers zal het moeilijker zijn de handel op het spoor te komen. Nederland zou een trekpleister voor hennepgebruikers worden, waardoor vraag en aanbod elkaar zouden kunnen versterken . De kwaliteit van de hennep blijft aan alle controle onttrokken, zodat ook hennepproducten met een zeer hoog T.H.C.-gehalte op de markt kunnen worden gebracht. Al deze bezwaren gelden a fortiori voor nog een tweede mogelijkheid van wetswijziging waaraan de werkgroep heeft gedacht, te weten: niet strafbaarstelling van het gebruik en bezit voor eigen gebruik, strafbaarstelling van de handel, hetzij als overtreding, hetzij als misdrijf waarop gevangenisstraf van ten hoogste één jaar is gesteld.
Zoals in deel I hoofdstuk 3 werd uiteengezet, is er juist bij hennepproducten een grote verwevenheid van handel en gebruik. Echte groothandelaren zijn gering in aantal. De hennep komt langs vele kanalen het land binnen en wordt langs weer kleinere kanalen gedistribueerd. Bij dit hele proces zijn veel gebruikers betrokken. Het is niet zeker dat een op deze wijze tot stand komend aanbod, door middel van strafbaarstelling van de handel zodanig zou kunnen worden beperkt dat daarvan enige preventieve werking ten aanzien van hetgebruikzou mogen worden verwacht.
Tenslotte is de werkgroep nagegaan of regulering van een legaal aanbod van hennepproducten uit.voerbaar zou zijn, en zo ja, of een dergelijke regeling tot verwezenlijking van de doelstelling zou kunnen bijdragen.
De werkgroep heeft daarbij gedacht aan de invoering van een vergunningensysteem voor de verkoop van hennepproducten. Hennep zou in zo'n systeem in bepaalde winkels kunnen worden aangeboden waarbij kan worden gedacht aan slijterijen als verkooppunten. Het vergunningenstelsel houdt in dat alle schakels in de verkoopketen aan een afleveringsvergunning zouden zijn gebonden. Aflevering zonder vergunning zou een strafbaar feit zijn, waarbij onderscheid zou kunnen worden gemaakt, tussen een grote partij (misdrijf) en kleine hoeveelheden, b.v. tot 100 9 (overtreding). Minimum- en maximumprijzen zouden van overheidswege moeten worden vastgesteld. Door middel van accijnzen die jaarlijks gewijzigd zouden moeten worden of door middel van prijscontrole zouden deze prijzen flexibel kunnen blijven. De prijzen zouden vooralsnog de zwarte-marktprijzen dienen te benaderen. Een te lage prijs zou leiden tot overmatig gebruik, een te hoge prijs tot verdere illegale activiteiten. Wegen zouden gevonden moeten worden om commercialisering van het product te voorkomen. Gelegenheden waar hennep officieel wordt gebruikt (hennepkroegen), zouden verboden moeten zijn. Aan de afname zou een grens gesteld kunnen worden, b.v. niet meer dan 10 gram tegelijk, en eventueel een leeftiidsgrens. Van beide laatstgenoemde voorschriften mag niet veel verwacht worden. Belangrijk is dat de hennepproducten in bepaalde standaardkwaliteiten zouden moeten worden aangeboden variërend wat betreft het gehalte aan THC en THC-zuur van 1% tot 5%. Daartoe zou het natuurproduct versneden moeten worden, zodat samples met deze verschillende percentages worden verkregen.
Het grote voordeel van een dergelijk systeem zou bestaan in het losser worden van de drug-subcultuur. Het is dan immers niet meer nodig of interessant om op basis van het hennepgebruik relaties met anderen aan te gaan. Het gebruikt functioneert ook niet meer als een middel tot protest tegen de establishment en verliest daardoor veel van zijn aantrekkingskracht. Experimenterende gebruikers behoeven niet meer hun contacten met niet-gebrui-kers op te geven, omdat het pas in een druggroep ontspannen roken zou zijn. Deze niet-gebruikers kunnen de consumptie van de gebruikers matigen. Dit alles is van belang in verband met de door Goode, Cohen en Johnson (zie deel I onder 6.7) gevonden relatie tussen zwaar hennepgebruik, involvatie in de drugsubcultuur en gebruik van zwaardere drugs. In het huidige systeem is het verkeren in een hennepgebruikende leeftijdsgroep de belangrijkste voorwaarde voor regelmatig zwaar hennepgebruik. Dit leidt, zoals in deel 1, hoofdstuk 6, werd besproken, via diepere involvatie in de drugsubcultuur waar men vrienden krijgt die opium, amfetamine of L.S.D. gebruiken en handelaren in deze drugs ontmoet, tot het gebruik van deze stoffen. Zonder contacten met andere druggebruikers zijn deze middelen nauwelijks te verkrijgen .
Een ander groot voordeel zou zijn dat minder mensen zouden worden gearresteerd en veroordeeld, waardoor minder mensen zouden worden gestigmatiseerd en minder secudaire deviatie zou optreden. Minder mensen zouden in hun verdere loopbaan door een veroordeling worden belemmerd.
Het voorlichtingsprogramma zou geloofwaardiger worden en er zouden meer mogelijkheden tot wetenschappelijk onderzoek komen. De taak van het opsporingsapparaat zou voor een deel worden verlicht en de vrijgekomen energie zou besteed kunnen worden aan eventuele handelaren zonder vergunning en handelaren in andere drugs. Daar staat echter tegenover dat opsporing en vervolging van verkeersdelicten, begaan onder invioed van hennep, bijzonder moeilijk en derhalve tijdrovend is (zie deel 1, onder 6.10). Toeneming van dergelijke verkeersdelicten moet bij invoering van het hier geschetste systeem waarschijnlijk worden geacht.
Daarmee is men bij de nadelen van het systeem beland. Meer mensen zullen hennep gaan gebruiken. Weliswaar zal waarschijnlijk een groot percentage van hennepgebruikers na een korte experimenteer-periode het hennepgebruik weer opgeven, toch moet rekening worden gehouden met een plotselinge toeneming van hennepgebruik. Daardoor zal ook het absolute aantal personen dat door dit gebruik in ernstige moeilijkheden raakt, naar schatting2% van het totale aantal gebruikers, stijgen. Een groot nadeel acht de werk-groep het ontstaan van nog onvoorzienbare risicos tengevolge van een snel-le verspreiding van het gebruik in alle lagen van de bevolking. Het gebruik van hennep is nog niet voldoende geritualiseerd en genormeerd. Normen zijn ook nog niet te geven, gezien de vele onzekerheden over mate en duur van de invloed op de prestaties.
Tenslotte zou als nadeel genoemd kunnen worden de aantrekkingskracht die Nederland misschien op buitenlandse jongeren zal uitoefenen, wanneer zij hier vrij kunnen roken. Of dit het geval zal zijn, valt niet te voorspellen. De vastgestelde prijs zou in elk geval verhinderen dat het kopen en verzenden naar huis geldelijk voordeel oplevert.
Door invoering van het vergunningenstelsel zou Nederland niet meer voldoen aan de verplichtingen van het Enkelvoudig Verdrag . Opzegging van dit verdrag zou tot onaanvaardbare consequenties leiden, o.a. omdat Nederland dan waarschijnlijk geen opium meer voor de bereiding van morfine zou kunnen betrekken uit de bij het verdrag aangesloten landen.
Voorziening van de Nederlandse markt door legale invoer van hennepproducten zou ook na opzegging van het Enkelvoudig Verdrag niet mogelijk zijn, daar alle bij het E.V. aangesloten landen zich hebben verbonden productie, uitvoer en handel van de in het verdrag genoemde middelen uitsluitend tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden te beperken.Voorts zou de handel in andere drugs niet meer doelmatig kunnen worden bestreden.
Voorafgaand aan de invoering van een vergunningensysteem zou daarom op internationaal niveau gestreefd moeten worden naar een wijziging van het Enkelvoudig Verdrag, ertoe strekkende dat het partijen vrijstaat voorbehouden te maken met betrekking tot een beperkte handel in hennep, en productie, gebruik en bezit van hennep.
Een dergelijke wijziging van het verdrag kan niet op korte termijn worden verwacht. Ook los daarvan echter, meent de werkgroep dat met het oog op de hierboven geschetste onzekerheden, invoering van een vergunningensys-teem voor de naaste toekomst niet kan worden aanbevolen. Er zijn voorlopig nog te weinig waarborgen dat met dit systeem de risicos van het gebruik van hennep beperkt zullen blijven.
Aan alle tot nu toe in dit hoofdstuk onderzochte mogelijkheden van justitieel beleid zijn nadelen of grote onzekerheden verbonden. De werkgroep meent dat niet door theoretische bespiegelingen in een commissie onzekerheden kunnen worden weggenomen of kan worden uitgemaakt welke nadelen de geringste zijn. De werkgroep sluit zich hiermee aan bij de opvatting van Buikhuisen (3), dat aan een wijziging in de wetgeving, waarvan men de conse-quenties niet kan overzien, een analyse van doelgericht onderzoek vooraf moet gaan. Buikhuisen lanceert in dit verband het idee van een proefwetgeving, een wetgeving die slechts gedurende een bepaalde van tevoren vastgestelde periode, geldig zou zijn.
Zelfs de voorbereiding en behandeling van een proefwetgeving op een zo omstreden terrein als de drugs, zou echter nog veel tijd vergen. Toch acht de werkgroep een nadere terreinverkenning gedurende een proefperiode noodzakelijk, alvorens wordt besloten tot wijziging van de bestaande wetgeving, of eventueel handhaving daarvan.
Welke regelingen inzake drugs gekozen moeten worden hangt af van:
Om de overgang van de geldende regelingen naar eventueel beter bij de situatie aangepaste regelingen mogelijk te maken, stelt de werkgroep voor, kaders te creëren waarbinnen geëxperimenteerd kan worden. Vanuit deze kaders kunnen terreinverkenningen worden verricht; is men voldoende overtuigd van de veiligheid van de in te nemen positie, dan kan op dat moment de oude stelling worden verlaten.
De werkgroep heeft gezocht naar een goede methode om het terrein te verkennen en de ontwikkelingen te registreren. Daarbij werd gedacht aan:
1. het scheppen van mogelijkheden om de ontwikkelingen van het druggebruik regionaal te volgen;
2. het scheppen van mogelijkheden om de ontwikkelingen van hulpverlening aan druggebruikers regionaal te volgen, te begeleiden en, zonodig te stimuleren;
3. het scheppen van ruimte in de tijd om tot een gefundeerd oordeel te komen omtrent de keuze die moet worden gedaan uit de legislatieve mogelijkheden (zie2.1);
4. het scheppen van mogelijkheden om zowel het justitieel beleid als het beleid op het terrein van volksgezondheid, cultuur, recreatie en maatschappelijk werk en onderwijs te begeleiden en te evalueren.
Kortom de werkgroep heeft een methode willen aangeven waarbij de vinger aan de pols kan worden gehouden, nieuwe ontwikkelingen kunnen worden gevolgd, gekanaliseerd, en zonodig kunnen worden tegengegaan. Als vast zou komen te staan dat de nieuwe ontwikkelingen uit een oogpunt van maatschappelijk welzijn ongewenst zijn, zou de oude stelling weer betrokken kunnen worden.
In concreto stelt de werkgroep met betrekking tot het justitieel beleid voor, gedurende een proefperiode van twee jaar in alle arrondissementen een drug-adviescommissie in te stellen die door de officier van justitie kan worden geraadpleegd in alle gevallen waarin het gebruik van drugs een belangrijke rol speelt.
De leden van deze drugadviescommissie zouden afkomstig moeten zijn uit de sfeer van volksgezondheid, maatschappelijk werk, jeugdwerk en onderwijs. De commissieleden zouden kunnen worden benoemd door de minister van justitie na overleg met zijn mede betrokken ambtgenoten. Een uit vijf leden bestaande commissie zou waarschijnlijk optimaal kunnen werken. De leden dienen sleutelposities in de hulp- en dienstverlening en het onderwijs in hun regio te bekleden, zij moeten volledig op de hoogte zijn van de sociale kaart van de hulp- en dienstverlening.
De werkgroep verwacht dat de officier niet alleen in individuele gevallen, maar ook ten aanzien van algemene beleidskwesties het advies van zijn adviescommissie zal inwinnen. Immers, in deze adviescommissies zullen vertegenwoordigers van de hulp- en dienstverlenende instanties en van instellingen van onderwijs zich ook mede verantwoordelijk weten voor het vinden van concrete oplossingen in probleemsituaties.
De officier blijft uiteraard verantwoordelijk voor het vervolgingsbeleid en heeft de beslissingsbevoegdheid. Het ligt in de rede dat, als de officier tot vervolging overgaat, de stukken die bij de behandeling in de drugadviescommissie zijn geproduceerd, in het strafdossier worden opgenomen.
Overigens is ingevolge artikel 495 Wetboek van Strafvordering, de officier van justitie, tenzij aanstonds van vervolging wordt afgezien, verplicht inlichtingen in te winnen bij de raad voor de kinderbescherming omtrent de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt de raad voor de kinderbescherming tevens in de gelegenheid gesteld van advies te dienen over de wenselijkheid van vervolging. Dit advies zal uiteraard in de drugadviescommissie bij de behandeling van een geval van een strafrechtelijk minderjarige een belangrijke rol spelen.
De werkgroep verwacht dat met de hulp van de drugadviescommissie in vele gevallen oplossingen kunnen worden gevonden buiten de sfeer van het strafrecht, zodat het aantal druggebruikers dat met de strafrechter in aanraking komt, beperkt blijft.
Met betrekking tot het drugbeleid moet als voordeel worden beschouwd dat de officier van justitie niet meer alleen en niet meer alleen vanuit zijn optiek deze problemen behoeft te behandelen. Andere disciplines en andere organisaties die met het vraagstuk en met de gebruikers te maken hebben, worden bij het algemene beleid en bij de beslissingen in individuele gevallen betrokken. De communicatie, de informatie en de coördinatie worden regionaal bevorderd. Conflictsituaties kunnen eveneens op regionaal niveau worden besproken .
Landelijk gezien biedt het bestaan van drugadviescommissies vele mogelijkheden:
1. Aan een onderzoek-instituut kan worden gevraagd de werkzaamheden van de drugadviescommissies te begeleiden. Door middel van verantwoord samengestelde vragenlijsten kan het instituut inzicht verkrijgen in:
a. de ontwikkeling van het druggebruik per
arrondissement;
b. de ontwikkeling van de standpunten inzake het justitieel
beleid;
c. de ontwikkeling van de voorlichting en de resultaten daarvan;
d. de ontwikkeling van de regionale hulpverleningsmogelijkheden;
e. de ontwikkeling van de standpunten der deskundigen t.a.v. de
risicos.
Zonder de opzet van dit onderzoek hier verder uit te werken, meent de werkgroep dat het verstandig zou zijn eerst gedurend een paar maanden een pilot-onderzoek te verrichten met drugadviescommissies in een of meer arrondissementen, en vervolgens alle arrondissementen bij het onderzoek te betrekken. Het voordeel hiervan zou zijn dat onmiddellijktot de instelling van adviescommissies zou kunnen worden overgegaan. De voorkeur van de werkgroep gaat uit naar een start in drie arrondissementen, zodat ervaring wordt opgedaan in verschillende delen van het land. Mede aan de hand van de in de commissie(s) verkregen ervaringen zouden de vragenlijsten voor het wetenschappelijk onderzoek kunnen worden opgesteld.
2. Het algemeen inzicht en dus het justitieel beleid kan worden gebaseerd op de informatie uit de arrondissementen. In de richtlijnen van de procureurs-generaal kunnen de opgedane ervaringen worden verwerkt.
3. Men kan de adviescommissie handhaven zolang er behoefte aan een proefperiode bestaat. Een proefperiode is nodig om:
a. een definitief beleid te laten
uitkristalliseren;
b. het wetenschappelijk onderzoek te voltooien;
a. en b. zullen waarschijnlijk samengaan.
De werkgroep neemt aan dat in een periode van twee jaar reeds veel materiaal verzameld zal zijn.
Tenslotte iets over het aanbod, de cliënten van de drugadviescommissie. Er is weinig grond voor de vrees dat van de naar schatting 140.000 druggebruikers (zie deel I onder 4.1.2.), in het nieuwe systeem meer dan het huidige percentage van 0,7 met de politie in aanraking zal komen. Evenmin behoeft men te veronderstellen dat tengevolge van de nieuwe werkwijze zich nauwelijks nog gevallen zullen voordoen waarover de drugadviescommissie zich kan buigen. Immers, uit de handhaving van het misdrijfkarakter van handel, bezit en gebruik van drugs vloeit voort dat de politie een zekere activiteit zal blijven ontplooien. Wel acht de werkgroep denkbaar dat in vele gevallen van druggebruik door de politieambtenaar een rapport wordt opgemaakt in plaats van een proces-verbaal. Dit rapport zou dan aan de drugadviescommissie kunnen worden overgelegd. Bovendien zullen ouders, maar ook schoolleiders minder aarzeling behoeven te overwinnen om problemen en probleemgevallen aan de drugadviescommissie voor te leggen, dan nu het geval is wanneer zij zich tot politie of justitie moeten wenden.
Het proefkarakter van de onderzoekperiode zal wellicht tot gevolg hebben dat sommige gevallen uitvoerig worden besproken. Een dergelijke concentratie van de aandacht is echter onvermijdelijk als het gaat om toetsing van de bestaande normen.
Herhaaldelijk is er van verschillende kanten op aangedrongen bij de rechtspraak deskundigen uit de gedragswetenschappen in meerdere mate te betrekken. Het voorstel van de werkgroep strekt ertoe een multidisciplinaire benadering reeds in een vroeg stadium, t.w. bij het vervolgingsbeleid, te realiseren. Vormen van samenwerking die hier en daar reeds incidenteel plaats vonden, zouden, als de gedachtengang van de werkgroep zou worden gevolgd, voor deze proefperiode kunnen worden uitgebouwd en geïnstitutionaliseerd.
Het bovenstaande samenvattend stelt de werkgroep het volgende:
Die experimenten zullen moeten worden begeleid door een onderzoeksinstituut.
In de hulpverleningssector moet gezocht worden naar mogelijkheden om drugpatiënten te motiveren voor een behandeling.
Aan de hand van de in de proefperiode opgedane ervaringen moet dan een keuze uit de legislatieve mogelijkheden worden gedaan.
Het experiment dat hier op nationaal niveau wordt voorgesteld, zou, naar de mening van de werkgroep, gepaard moeten gaan aan inspanningen op internationaal niveau. In internationale besprekingen van het drugprobleem zal de aandacht moeten worden gevestigd op de beperkte mogelijkheden van strafrechtelijke sancties met betrekking tot de preventie van het druggebruik.
Daarnaast moet worden onderzocht of het wenselijk en mogelijk is het Enkelvoudig Verdrag zodanig te wijzigen dat het de nationale staten vrijstaat, indien zij dit wensen, een afzonderlijk regiem in te voeren voor cannabisproducten .
(1) Jeugdbeschermingsrecrt, rapport van de commissie voor de herziening van het Kinderbeschermingsrecht, Staatsuitgeverij, s-Gravenhage 1971.
(2) Jeugdbescherming en Justitie Schets voor organisatie en structuur, uitgave Mi-nisterie van Justitie, Stafbureau V>orlichtin~g 1971.
(3) W. Buikhuisen in Delikt en Delinkwent 70/71, nov. 71, nr. 11.