BOUW VAN HET ZENUWSTELSEL
BOUW VAN HET ZENUWSTELSEL
Tijdens de evolutie is ons zenuwstelsel
geëvolueerd van een simpele streng zenuwcellen, die slechts de simpelste
reflexbewegingen kon realiseren, zoals bij b.v. het lancetvisje. Dit diertje is
zowat het meest eenvoudige gewervelde dier en is niet veel gecompliceerder dan
een worm. Aan de andere kant van deze ontwikkelingslijn staat de mens met het
meest gecompliceerde zenuwstelsel. Het meest belangrijke principe van deze
ontwikkeling is dat er steeds nieuwe delen aan het zenuwstelsel werden
toegevoegd, zonder dat er oude delen verloren gingen. Integendeel de oudere
delen werden a.h.w. bespeeld door de nieuw geëvolueerde, hogere delen. Ons
zenuwstelsel bestaat zo uit op elkaar gesuperponeerde regelkringen, die steeds
gecompliceerder gedrag mogelijk maken.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het centraal zenuwstelsel (CZS), waarmede
de hersenen en het ruggemerg worden aangeduid en het perifere zenuwstelsel, dat de aanduiding is voor alle zenuwen
buiten het CZS. Deze zenuwen bestaan uit de axonen van neuronen die in het CZS
liggen.
Een ander onderscheid dat gemaakt wordt is van
functionele aard, n.l. tussen het willekeurige
en het onwillekeurige zenuwstelsel.
Met het eerste geeft men dat deel aan dat alle lichamelijke acties reguleert
die onder bewuste contrôle staan, dus via de skeletspieren werkt. Het laatste dat ook wel als autonome zenuwstelsel (AZS) bekend
staat, reguleert alles dat niet onder bewuste contrôle staat: de werking dus
van de interne organen: hart, maag, etc.Het AZS wordt dan weer verdeeld in
tweeën: het sympathische deel, dat activeert en het parasympathische deel dat
de-activeert.
Het centraal zenuwstelsel is uit de volgende delen
opgebouwd:
Ruggemerg
Het "laagste" deel van ons zenuwstelsel
is het ruggemerg. Het is in principe nog steeds vergelijkbaar met het
zenuwstelsel van het lancetvisje. We zagen al hoe de kniepeesreflex verloopt
over het ruggemerg en al onze bewegingen komen tot stand door het bespelen van
zulke reflexkringen door de hogere zenuwcentra. Daarnaast lopen door het
ruggemerg ook alle verbindingen met de hersenen. Vanuit de hersenen lopen twee
dikke axonenkabels naar die reflexkringen om bewegingen te veroorzaken: de
pyramidebanen. Daarnaast lopen vanuit alle zintuigjes in de huid, de spieren
enz. dikke axonenbundels naar de hersenen, om op die wijze de sensorische input
van het brein te verzorgen.
fig. 7.
Schematische opbouw van de hersenen
Hersenstam
Eigenlijk is dit het voorste deel van het
oorspronke-lijke ruggemerg, dat steeds ingewikkelder werd omdat de
belangrijkste waarnemingsorganen (in volgorde van hun evolutionele ontwikkeling
de reuk en de smaak, de ogen en de oren) aan de voorzijde van het lichaam
werden gelocaliseerd. De verwerking van die informatie leidde tot steeds
verder-gaande vergroting van de hersenen.
In de hersenstam zijn de zgn. vitale functies
georganiseerd. Hier zit het ademhalingscentrum, hier wordt de bloeddruk
geregeld, het waken en slapen gereguleerd. Alle voor het (passief) in leven
blijven noodzakelijke functies worden van hieruit bestuurd.
Kleine
hersenen (Cerebellum)
De kleine hersenen spelen een belangrijke rol in
de beweging. Terwijl het ruggemerg slechts eenvoudige reflexen
"zelfstandig" kan regelen, worden in de kleine hersenen
gecompliceerde bewegingspatronen, "bewegingsmelodieën", tot stand
gebracht en als vaste patronen opgeslagen. Het is al bij primitieve vissen
aanwezig en neemt in de evolutie een steeds grotere plaats in. Hoe gecompliceerder
het motorisch gedrag van een dier, hoe groter het cerebellum.
Limbisch
systeem.
Het limbisch systeem zou het best kunnen worden
omschreven als het eerste begin van de grote hersenen. Door onderzoek zijn de
functies van dit systeem enigszins in kaart te brengen. Zowel de aard van zulk
onderzoek als de bevindingen zijn het beste te illustreren aan de hand van het
volgende fameuze voorbeeld. De spaanse neurofysioloog DELGADO plantte bij een
spaanse vechtstier electroden in een
bepaald deel van het limbische systeem en voorzag deze van een ontvangertje
zodat wanneer dmv een zendertje een signaal werd uitgezonden een stroompje door
een der electroden ging en de betreffende cellen prikkelde. Nadat de
operatiewond genezen was werd de stier de arena ingebracht en op de bekende
spaanse wijze door de toreadores tot razernij gebracht. Daarop betrad Delgado
de arena en daagde de stier uit die vervolgens op hem afstormde, de kop bij de
grond om hem op de horens te nemen.
fig.8.
Defensieve houding bij de kat, links natuurlijk,
rechts t.g.v. electrische prikkeling.
Toen de stier nog slechts enkele meters van
Delgado verwijderd was drukte deze op een van de knoppen van de zender die hij
in zijn zak had en stimuleerde daardoor het brein van de stier die daarop
terstond kalmeerde. Pogingen van de toreadores het dier opnieuw tot razernij te
brengen mislukten zolang Delgado het stierenbrein bleef prikkelen. Pas door de
andere knop in te drukken en een ander deel van het limbische systeem te
prikkelen kon Delgado de stier opnieuw tot razernij brengen ook zonder hulp van
de toreadores. Kennelijk reguleren de cellen waarin Delgado zijn electroden
plantte woede en kalmte. De desbetreffende cellen behoren tot het limbische
systeem en liggen in de amandelkernen, de amygdala. Op vergelijkbare wijze
kunnen ratten en andere dieren door selectieve stimulatie van andere delen van
het limbisch systeem aangezet worden tot eten, resp. juist het weigeren van
voedsel, angstreacties, sexueel geprikkeld resp. ongevoelig gemaakt voor de
gebruikelijke sexuele prikkels. Kortom het limbische systeem reguleert een
aantal zeer vitale emoties. Ook bij mensen kan dit effect worden opgeroepen:
"the first time we were able to
demonstrate that systems in the limbic brain that both start and stop attack
behaviour was with patient Thomas R. Thomas' chief problem was his violent rage......"(2)
Electroden werden ingebracht in zijn amygdala en
door bepaalde delen ervan (de laterale) dagelijks te stimuleren, bleef hij twee
maanden vrij van woede‑aanvallen. Omdat het onmogelijk was dit levenslang te
herhalen werden uiteindelijk die delen van zijn amygdala waarvan prikkeling
juist resulteerde in woede aanvallen (de mediale) electrisch vernietigd. Nadien
kreeg hij geen woedeaanvallen meer. Deze operatie is overigens wel aanleiding
geworden tot een proces tussen de beide neurochirurgen en de moeder van Thomas
R. die de operatie aanvocht (3). De uitslag van het proces is mij onbekend. Op
vergelijkbare wijze kunnen ratten en andere zoogdieren door selectieve
stimulatie van andere delen van het limbisch systeem aangezet worden tot eten
resp. juist het weigeren van voedsel, sexueel geprikkeld resp. ongevoelig
gemaakt voor de gebruikelijke sexuele prikkels. Kortom het limbische systeem
reguleert een aantal zeer vitale emoties. Opmerkelijk
is in dit verband dat stoornissen in deze regulaties leiden tot
gedragsstoornissen welke weliswaar niet altijd als verslaving maar toch als
"zucht" bekend staan, vraatzucht, magerzucht, gokzucht etc. We mogen
veronderstellen dat het verslavende effect van sommige drugs verband houdt met
hun invloed op de receptoren in het limbische systeem.
Voorts beïnvloed het limbische systeem via de hypophyse, een kleine klier die aan de
basis van de hersenen vastzit, het hormonale systeem. Tenslotte speelt het
limbische systeem, met name dat deel dat met de naam hippocampus wordt aangeduid, een zeer belangrijke rol bij het
geheugen.
Het limbische systeem begint zich bij vissen te
ontwikkelen en is volledig ontwikkeld
bij de reptielen. In aanleg heeft het vooral een functie bij het verwerken van
reukprikkels, later verschuift die functie naar het reguleren van emoties. Een
echo van die oude functie is nog terug te vinden in het gegeven dat geen
sensorische prikkeling sterkere emoties kan opwekken dan een geur. Het
limbische systeem van de mens is vrijwel onveranderd ten opzichte van dat van
de reptielen. Het representeert de "krokodil" in ons.
Subcorticale
kernen
Dit zijn de verbindingsstations tussen de
hersenstam en het limbische systeem enerzijds en de hersenschors anderzijds.
Hier worden gecompliceerde gedragspatronen georganiseerd.
Een in dit verband belangrijk onderdeel van deze
kernen, dat overigens volgens sommigen tot het limbisch systeem behoort, is de nucleus accumbens. De rol die deze kern
speelt, komt het duidelijkst tot uiting bij experimenten waarbij proefdieren in staat worden gesteld door op een knop te drukken zichzelf via een
permanent ingebrachte electrode electrisch of door een permanent infuus
pharmacologisch te stimuleren. Wanneer zo'n electrode in de nucleus accumbens
is geplaatst en het proefdier erachter komt dat het gevoel dat hij krijgt door
het drukken op het knopje wordt veroorzaakt, gaat het op het knopje liggen, zo
prettig is het. Op andere locaties in deze kern is het effect juist
tegengesteld. De theorie nu is dat deze kern als een soort
straf/beloningscentrum fungeert, in die zin dat eten als je honger hebt ook het
beloningscentrum prikkelt, maar bij verzadiging juist het strafcentrum
geprikkeld wordt als je dan toch dooreet. Prikkeling van deze kern zou dus het
beloningsgevoel geven, zonder dat daarvoor sprake hoeft te zijn van enig
"beloonbaar" gedrag. Waarom zou je nog eten, drinken, vrijen etc. als
je het ultieme beloningsgevoel ook per electrode (of per naald in je arm) kunt
opwekken?
Deze subcorticale kernen kunnen we samen met
sommige delen van de hersenschors die de andere zoogdieren ook hebben,
aanduiden met het "paard" in ons.
Cortex
cerebri (de hersenschors)
De hersenschors is het meest gecompliceerde deel
van het zenuwstelsel. De hersenschors wordt verdeeld in 4 stukken: de frontale
(voorhoofds-)kwab, de parietale (zij-)kwab, de temporale (slaap-)kwab en de
occipitale (achterhoofds-)kwab.
Alle zintuigelijke gewaarwordingen worden
"geprojecteerd" op de hersenschors. In deze projectievelden is de
buitenwereld zo gerepresenteerd, dat b.v. elk punt in het gezichtsveld is
gerepresenteerd door een punt in het visuele projectieveld, dat ligt in de
achterhoofdskwab. Hier komt overigens het verhaal vandaan dat je blind kunt
worden als je op je stuitje valt. De schok daarvan wordt dan langs de
ruggegraat naar het achterhoofd geleid en daar slaat de schedel dan tegen het
visuele projectieveld. Als dit beschadigd wordt resulteert dat in blindheid, zonder
dat er iets aan de ogen mankeert. Op dezelfde wijze zijn alle geluiden van hoog
naar laag in het auditieve projectieveld in de temporaal kwab gerepresenteerd,
is er een representatie van het hele lichaamsoppervlak in de sensorische schors
op de pariëtaalkwab en van alle spieren in de frontaalkwab. Naast deze
projectievelden herkent men ook de zgn. associatievelden waar de relaties
tussen deze sensorische input en motorische output gelegd worden. Met name dat
deel van de hersenen waar onze taal "zetelt" is zeer groot ten
opzichte van zelfs onze meest nauwe verwant, de chimpansee. In dat
associatieveld worden de verschillende aspecten van taal: horen, zien (van
objecten, maar ook van letters) en strotten-hoofdspieren (spreken) met elkaar in verband gebracht. Hele
kleine beschadigingen in dit gebied kunnen leiden tot zeer merkwaardige
afwijkingen als afasie, dyslexie, etc.
De hersenschors tenslotte is vooral door het
laatstgenoemde associatieveld, "de ruiter" in ons. Elke psychosociale
hulpverlener dient zich te realiseren dat we geen mensen zijn, maar ruiters,
gezeten op een paard, dat weer op een krokodil staat. We letten hooguit op het
paard, maar als de krokodil in ons plotseling links- of rechtsaf slaat,
tuimelen we op de grond: een levenscrisis noemen we dat dan.
DE NEUROTRANSMITTERS
Achtereenvolgens zullen de belangrijkste
neurotrans-mittersystemen kort worden behandeld.
Acetylcholine
Acetylcholine (ACh) was zoals we zagen de eerst
ontdekte neurotransmitter die signalen van de nervus vagus overbracht naar het
hart. ACh is ook de stof die de berichten overbrengt van de perifere zenuwen
naar de spieren, zodat deze samen-trekken. Het pijlgif van sommige
indianenstammen bevat de stof curare,
die de ACh-receptoren op de spiervezels blokkeert, waardoor verlamming
optreedt.
Daarnaast gaan cholinerge vezels van het CZS naar
de bijnier, die onder andere het hormoon adrenaline
afscheidt, dat het lichaam in staat stelt te vechten of te vluchten in
stress-situaties. Andere cholinerge vezels gaan naar de darm, blaas etc. en
hebben daar een de-activerende (parasym-pathische) werking.
Het is inmiddels gebleken dat er twee soorten
receptoren zijn die door ACh geprikkeld kunnen worden. Sommige ACh-receptoren
n.l. reageren op muscarine, een
bestanddeel van de vliegenzwam (Amanita muscaria) en andere niet. De laatsten
daarentegen reageren daarentegen op nicotine,
het alcaloid uit tabak. De receptoren op de spiervezels en in de bijnier zijn
van het nicotine-type, de parasympathische in het algemeen van het muscarine-type.
Alle ACh-receptoren in het CZS zijn nicotinerg. De stimulerende werking van
nicotine berust op beinvloeding van deze receptoren.
In de betelnoot
welke als genotmiddel gekauwd wordt in grote delen van Z.O.Azie bevat het
alcaloid arecoline, dat op beide
typen receptoren werkt.
Noradrenaline
De stof noradrenaline
speelt een belangrijke rol bij de reacties op stress-situaties: het maakt alert
(deze activering van de hersenen vanuit de hersenstam wordt arousal genoemd.
Het stelt het lichaam in staat te vluchten of te vechten, onder andere door de
hartslag, de bloedsomloop en de ademhaling zo te stimuleren dat meer zuurstof
naar de spieren wordt getransporteerd en door de blaas en darm te ledigen. Dat
laatste kennen we als "je doet het in je broek van angst". Tenslotte
geeft het het gevoel "dat het lukt, dat je het kan", niet
onbelangrijk als je moet vechten of vluchten voor je leven. Er zijn
aanwijzingen dat een waarschijnlijk genetisch bepaald hoge noradrenalinespiegel
leidt tot hypersensitivi-teit. Verlegen kleine kinderen hebben een hoog
cortisol en noradrenaline-gehalte in hun bloed. Een te lage spiegel zou
darentegen gerelateerd zijn aan gebrekkige concentratie en onvermogen
belangrijke van onbelangrijke zaken te scheiden.
Noradrenaline werkt zowel als neurotransmitter in
het CZS, als als hormoon, wanneer het samen met adrenaline wordt afgescheiden
door de bijnier.
De meeste cellichamen van noradrenerge neuronen
liggen in de locus coeruleus, een kern in de hersenstam. Deze neuronen zenden
hun axonen naar het limbische systeem (eetlustremming), de subcorticale kernen
en de hersenschors (arousal). Het geneesmiddel clonidine dat gebruikt wordt tegen hoge bloeddruk remt ook de
activiteit van de locus coeruleus. Dat effect hebben ook de opiaten en de
endorfinen. Bij het afkicken is de locus coeruleus hyperactief (de
opiaat-remming valt dan weg) en daarom wordt clonidine wel eens gebruikt om het
afkicken te vergemakkelijken, doordat het dan de hyperactiviteit van de locus
kan bestrijden.
De overige noradrenerge cellichamen liggen elders
in de hersenstam en zenden hun axonen deels naar de amygdala, deels naar het
ruggemerg waar ze vooral invloed hebben op neuronen die de bloeddruk reguleren.
Dopamine
Dopamine wordt gesynthetiseerd door slechts enkele
honderduizenden cellen, maar deze vervullen een uiterst belangrijke rol in de
hogere delen van het CZS. Deze dopaminerge
neuronen kunnen worden onderscheiden in drie subgroepen met verschillende
functies. De eerste groep reguleert bewegingen: bij een tekort aan dopamine in
dit (nigro-striatale) systeem zien we de ziekte van Parkinson ontstaan, die
gekenmerkt is door beverigheid, houterigheid en andere bewegingsstoornissen
terwijl in latere fasen ook dementie optreedt.
De tweede groep, de meso-limbische, heeft een
functie in het reguleren van het emotionele gedrag. De derde groep, het
meso-corticale systeem, projecteert uitsluitend op de prefrontale cortex. Dit schorsgebied is betrokken bij
verschillende cognitieve functies, geheugen, planning van gedrag en abstract
denken, maar is ook ook bij emotionele
aspecten, met name in relatie tot stress, betrokken. Het eerder genoemde
beloningssysteem maakt deel uit van dit laatste systeem. De nucleus accumbens
is er een belangrijk tussenstation in.
Stoornissen in de laatste twee systemen worden
worden geassociëerd met schizophrenie.
Endorfine
In de zeventiger jaren werd een groep eiwitachtige
stoffen, endorfinen en enkephalinen genaamd, geïdentificeerd als
neurotransmitter, die de al eerder aangetoonde opiaat-receptoren specifiek
prikkelden. Deze receptoren (die overigens meestal als opiaatreceptoren worden
aangeduid) kunnen we in de hersenen traceren door radioactieve opiaten in te
spuiten en vervolgens na te gaan waar deze radioactiviteit zich in de hersenen
ophoopt. (fig. 9). Dat blijkt op zeer specifieke plaatsen in de hersenen te
zijn.
In het hoofdstuk over de opiaten komen we hier
uitgebreid op terug.
fig.9.
Radiogram van rattenhersenen.
Hoe
donkerder hoe meer opiaatreceptoren.
Serotonine
De neuronen die werken d.m.v. serotonine (ook wel 5-hydroxytryptamine
(5-HT) genoemd, de serotonerge neuronen, hebben hun cellichamen in de
zogenaamde raphe-nuclei in de hersenstam en zenden hun uitlopers (axonen) naar
vele delen van onze hersenen. Het eerste wat opvalt aan deze neuronen is het
feit dat ze in tegenstelling tot veel andere zenuwcellen uit zichzelf rithmisch
actief zijn, actiepotentialen genereren. Wat dat betreft zijn ze te vergelijken met een pacemaker, het apparaat
dat rithmisch impulsen afgeeft om het hart tot samentrekken aan te zetten. Deze
spontane activiteit wordt vervolgens gemoduleerd (versneld of verlangzaamd)
door veel andere neurotransmitters, waaronder serotonine zelf. Er bestaat dus
een zelfregulerend systeem: serotonine komt vrij bij synapsen, maar remt
vervolgens het vrijkomen van meer serotonine. Er is sprake van negatieve
terugkoppeling.
De
serotonerge neuronen hebben vooral hun verbindingen naar de hersenschors, het
limbische systeem en een reeks van andere hersencentra die vooral een
regulerende functie hebben op sensorisch, motorisch en associëerend gebied. Met
associëerend wordt bedoeld dat prikkels uit verschillende systemen een
onderlinge samenhang krijgen. Het beste voorbeeld daarvan is weer
"taal": taal betekent dat acoustische (horen), visuele (zien van
voorwerpen en zien van woorden:lezen) en motorische (besturen van de
strottenhoofdspieren) aspecten een onderlinge samenhang krijgen, geassociëerd
worden tot een geheel. Om al deze functies op de juiste wijze te integreren
hebben onze hersenen een groot aantal tussenstations, relais. Serotonine werkt
inhiberend (remmend) op sensorische relais en exciterend (stimulerend) op
motorische relais.
Tenslotte is opvallend dat de effecten van
serotonine relatief langzaam aanvangen en verdwijnen, wat suggereert dat ze
vooral modulerend werken op snellere synaptische activiteit.
Het serotonine systeem heeft kennelijk een
belangrijke homoiostatische invloed op de coördinatie van complexe sensorische
en motorische activiteitspatronen bij zeer verschillende gedragstoestanden. Hoe
alerter het individu, hoe actiever het serotonine systeem of liever: hoe
actiever het serotonine systeem, hoe alerter het individu. Alleen bij de
REM-slaap, wanneer het brein "heel wakker" is en men droomt, ligt het
serotonine-systeem stil. Dat lijkt gek, maar komt overeen met de aard van de
REM-slaap: heftige interne activiteit van het brein bij sterk geremde
motoriek.
Psychiatrische ziektebeelden worden in toenemende
mate in verband gebracht met stoornissen in het serotoninesysteem: affectieve
stoornissen, schizofrenie en hyperagressieve toestanden. Bij ernstige
depressies en suïcidale toestanden lijkt sprake te zijn van een gebrekkig
functioneren van dit systeem. In dit verband is relavant dat vele antidepressieve
geneesmiddelen lijken te werken door het verhogen van de serotonerge
activiteit.
Daarnaast wordt een verband gelegd tussen
verminderde serotonine-functie en de anti-social personality disorder,
gewelddadigheid en impulsief gedrag (4).
Fenfluramine, een veelvuldig gebruikte
eetlustremmer, (merknaam Ponderal), heeft een sterke negatieve invloed op het
serotoninesysteem: eenmalige i.v. toediening van 40 mg/kg bij ratten verlaagt
gedurende twee weken het serotoninegehalte.
GABA
In 1976 ontdekten Braestrup en Squire alsmede een
onafhankelijk team van Hoffman La Roche dat er in het brein receptoren zijn die
specifiek reageren op de benzodiazepines. Zij zochten vervolgens de natuurlijke
transmitter en vonden er een die nog sterker bindt aan deze receptoren dan
valium. Zij noemden de stof gamma‑substance. De stof bleek gamma-amino-boterzuur te zijn, met de amerikaanse afkorting GABA.
Het is een van de meest verbreide neurotransmitters in het CZS: vrijwel alle
neuronen hebben GABA-receptoren. GABA is een remmende neurotransmitter: het
werkt dus allerlei activerende systemen tegen. GABA receptoren zijn er in 2 soorten: GABA-a en GABA-ß waarvan alleen de eersten door alcohol, benzo-diazepinen en
barbituraten worden geprikkeld, hetgeen een verminderde gevoeligheid voor
andere prikkels tot gevolg heeft.
De anxiolytische werking van alcohol wordt
gemediëerd door GABA-receptoren.
GLUTAMAAT
Zoals GABA de belangrijkste inhiberende
neurotransmitter in het CZS is, is glutamaat de belangrijkste exciterende
transmitter. In relatie tot de psychopharmacologie is het subtype de
N-methyl-D-aspartaat receptor (NMDA-receptor) het belangrijkste. Activering
ervan verhoogt de prikkelgevoelig-heid voor andere neurotransmitters. Zowel
alcohol als PCP remmen de invloed van glutamaat en verlagen dus de
prikkelgevoeligheid (5).
Laatst aangepast (maandag, 06 juni 2011 10:50)


