DE PSYCHOPHARMACA
DE PSYCHOPHARMACA
Inleiding
De psychopharmaca worden doorgaans in drie groepen
verdeeld:
- Psycholeptica: stoffen die de
hersenactiviteit overwegend remmen;
- de Stimulantia of psychoanaleptica: stoffen die de hersenactiviteit overwegend stimuleren;
- Hallucinogenen, of psycho-dysleptica, stoffen die het zenuwstelsel noch remmen, noch
stimuleren, maar de evenwichten in de hersenactiviteit veranderen.
Tot de remmers behoren de opiaten (opium, morfine,
heroïne, methadon), de barbituraten, de benzodiazepinen en de verschillende
groepen antipsychotica (neuroleptica), alcohol en de snuifmiddelen als tri,
ether etc.. Tot de stimulantia behoren amfetamine, methylamfetamine, cocaïne,
nicotine, coffeïne en de antidepressiva.
Tot de hallucinogenen behoren allereerst stoffen
als LSD, psilocybine en mescaline. Daarnaast worden ook een reeks stoffen tot
de hallucinogenen gerekend als PCP, MDMA (XTC), de Cannabisproducten hashish en
marihuana, hoewel deze slechts uiterst geringe hallucinogene effecten hebben.
Het meest kenmerkend voor de stoffen die onder de naam hallucinogenen op een
hoop gegooid worden is dat zij deze effecten reeds oproepen bij doseringen,
waarbij er nauwelijks andere, lichamelijke effecten optreden.
DE REMMERS.
OPIATEN.
Geschiedenis.
Uit opgravingen naar de restanten van neolithische
nederzettingen in Zwitserland, de Cortaillod-cultuur (3200-2600 voor Chr.), is
gebleken dat toen reeds Papaver werd gecultiveerd; waarschijnlijk vanwege de
voedingswaarde van de zaden (45% olie), bij ons bekend als maanzaad.
Ongetwijfeld is toen al de licht narcotische werking van deze plant ontdekt
(11). Sterk narcotisch is het melksap dat verkregen wordt door de
vruchtbeginselen van de plant in te snijden en dit sap vervolgens te laten
drogen. Op deze wijze verkrijgt men opium.
De geschriften van Theophrastus (3e eeuw v.Chr.) vormen de eerste
schriftelijke bron die melding maakt van opium. Het woord opium is afgeleid van
het griekse woord voor sap, immers opium wordt bereid uit het sap van de
Papaver somniferum.
De arabische artsen waren goed op de hoogte van de
bruikbare effecten van opium en arabische handelaren introduceerden het in het
Oosten. In Europa werd het gereintroduceerd door Paracelsus (1493-1541) en zo
kon de engelse arts Sydenham in 1680 schrijven:
"Among the remedies which it has pleased
Almighty God to give to man to relieve his sufferings, none is so universal and
so efficacious as opium."
In de achttiende eeuw werd het roken van opium
populair in het Oosten en werd de opiumhandel een enorme bron van inkomsten
voor de koloniale heersers, de Engelsen en de Nederlanders, terwijl ook de
Spanjaarden op de Philippijnen hun graantje meepikten. Howel opium in die tijd
in Europa gemakkelijk beschikbaar was, leidde het eten van opium daar nauwelijks
tot problemen.
Opium bevat een groot aantal verschillende
stoffen. In de negentiende eeuw werden de verschillende bestanddelen van opium
geisoleerd. Als eerste werd in 1806 door Friedrich Sertürner een stof die hij
naar de griekse god van de slaap, Morpheus, morfine noemde, in zuivere vorm verkregen. Codeine (Robiquet, 1832) en papaverine (Merck, 1848) volgden. Als
gevolg verdrong het gebruik van deze zuivere stoffen, het gebruik van de ruwe
opium voor medische doeleinden. Ze werden net als opium veelvuldig aangewend
als pijnstiller en tegen diarrhee. De uitvinding van de injectiespuit in het
midden der negentiende eeuw leidde tot grootschalige toepassing van
injecteerbare morfine als pijnstiller.
In de Verenigde Staten nam in de vorige eeuw het
gebruik van opiaten aanzienlijk toe, enerzijds door de opium-rokende chinese
immigranten, anderzijds doordat vele gewonde soldaten uit de Burgeroorlog het
intraveneuze gebruik van morfine leerden kennen. Bovendien bevatten vele
"patentgeneesmiddelen" opiumextract: laudanum, paregoric etc. Mede
daardoor kwam morfine ook in zwang als een "geneesmiddel" tegen
opiumverslaving; immers als de dokter een opium-verslaafde morfine gaf, taalde
hij niet meer naar opium, dus was hij genezen.
Ook in Europa was dat het geval en hoewel het
gebruik daarvan veel verder ging, dan wat nu als medisch gebruik acceptabel
geacht wordt, gaf dit weinig problemen (12). Aan het einde van de vorige eeuw begon de Verenigde Staten
te trachten het niet-medisch gebruik van opium met name in China aan banden te
leggen en uiteindelijk te doen verbieden. De belang van de V.S. hierin was
tweeërlei: ten eerste wensten zij een economisch sterk China als afzetmarkt
voor eigen producten en ten tweede speelde een sterk moreel element. Als gevolg
van de Spaans-Amerikaanse oorlog waren de Philippijnen Amerikaans geworden en
werd men daar met een uitgebreid opiumprobleem geconfronteerd. De Amerikaanse
bisschop van de Philippijnen Charles Henry Brent ving daarop in de V.S. een
morele kruistocht aan tegen de opiumhandel en -verslaving die in brede kring weerklank vond. Dit niet
alleen op de golven van de anti-alcoholbeweging die tot de drooglegging leidde,
maar ook omdat de V.S. zoals we reeds zagen in tegenstelling tot de Europese
landen ook een binnenlands opiumprobleem hadden.
Uiteraard was ook in China, dat haar economie in
toenemende mate ontwricht zag door het opiumgebruik een sterke anti-opium
beweging op gang gekomen. Engeland en Nederland zagen deze ontwikkeling echter
met lede ogen aan omdat de papavercultuur
in Brits en Nederlands Oost-indië een uiterst belangrijke bron van inkomsten
vormde.
Onder Amerikaanse druk kwamen in 1909
vertegenwoordigers van landen met koloniale bezittingen in het Verre Oosten
alsmede Perzie bijeen in Shanghai voor de internationale opiumconferentie,
onder voorzitterschap van bisschop Brent. Deze conferentie legde de basis voor
de Internationale Opiumconferentie van Den Haag in 1911. De Engelsen stelden
voor deelname aan deze tweede conferentie en het verdrag dat daaruit moest
voortkomen de voorwaarde dat de werking van het verdrag zich ook zou
uitstrekken tot de bereiding van en handel in cocaïne en morfine. Dit was een
voorwaarde waarmee de Duitsers weer grote moeite hadden. Hun pharmaceutische
industrie had juist daarin aanzienlijke belangen.
De conferentie leidde weliswaar tot het eerste
internationale verdrag, het Opiumverdrag van 23 januari 1912, doch dat ging
niet verder dan dat het aangesloten landen verplichtte in hun nationale wetgeving regelingen te
treffen om de opiumhandel te controleren. De Duitsers waren er namelijk in
geslaagd om in de uiteindelijke verdragstekst in alle morfine en cocaïne
betreffende artikelen de woorden "zich verbinden" te wijzigen in
"pogen". De bekrachtiging van het verdrag werd tenslotte afhankelijk
gesteld van deelname van landen die niet ter conferentie aanwezig waren, kortom
het verdrag was zo lek als een mandje.
Een tweede conferentie in Den Haag in 1913
resulteerde evenmin in effectuering van het verdrag en pas bij de derde Haagse
conferentie in 1914 werd een protocol getekend dat het verdrag in werking kon
doen treden zonder dat alle uitgenodigde landen medeondertekenden.
De Verenigde Staten gaven onmiddellijk vorm aan
deze verdragsverplichting met de
Harrison Narcotics Act van 17 december 1914, die niet alleen de handel streng
controleerde maar ook nog veel verder ging door het bezit van in het verdrag
genoemde stoffen door ongeautoriseerde personen als wetsovertreding te
bestempelen. Hierop kwam een maximum straf van $ 2000 en/of vijf jaar
gevangenisstraf te staan. De grondslag
voor de criminalisering van het druggebruik was hiermede gelegd!
De Eerste Wereldoorlog bracht alle inspanningen
tot stilstand en pas bij het sluiten van de Vrede van Versailles kwam de zaak
opnieuw aan de orde. De V.S. deed in dit verdrag namelijk de bepaling opnemen
dat alle landen die het verdrag van 1912 niet hadden getekend en/of
geratificeerd, dit alsnog dienden te doen. De uitvoering van het verdrag werd
in 1920 opgedragen aan de Volkenbond.
In Engeland werd de Dangerous Drugs Act in 1920
van kracht. Van belang hierbij is dat terwijl de Amerikanen ook het medische gebruik van heroïne verboden, de
Engelsen medisch gebruik ervan handhaafden en zelfs het verstrekken van
opiaten, i.c. heroine, aan verslaafden een aanvaardbare medische praktijk
achtten.
Zoals al eerder gesteld was het verdrag van 1912
"lek als een mandje" vooral omdat het de staten vrij liet zelf te
bepalen op welk moment en op welke wijze zij hun verplichtingen wilden
effectueren ten aanzien van opium, wat dus het gebruik legitiem hield tot dat
moment. Wat betreft de chemische derivaten van opium bestond deze verplichting
wel: het gebruik daarvan werd illegitiem. Hierdoor werden deze middelen het
object van de bestrijding, meer dan het opium. Om deze bestrijding effectiever
te maken werden door de Volkenbond twee conferenties gehouden die resulteerden
in twee verdragen van Geneve: één van 11 februari en één van 19 februari 1925.
Het eerste verdrag had betrekking op de
binnenlandse productie van en handel in opium te beperken in de kolonieën in
het Verre Oosten, het tweede breidde het aantal stoffen waarop het verdrag
betrekking had uit: coca-blad, ruwe cocaïne, ecgonine en Indische hennep werden
onder de werking van het verdrag gebracht en verder werd het toezicht dat
staten op de bereiding, handel en bezit van de betreffende
"verdovende" middelen dienden te houden verscherpt.
Het gebruik als zodanig werd door deze verdragen niet strafbaar gesteld. Immers opium
werd in het OOsten nog legaal geproduceerd en geconsumeerd. Een opium-regie
werd als effectieve bestrijding van het misbruik gezien.
In 1931 werd internationaal het roer omgegooid en
werd ook gepoogd de legale productie en consumptie van opium voor niet medische
doeleinden te verbieden. Hiertoe werden nieuwe verdragen gesloten: de verdragen
van Geneve (13 juli 1931), van Bangkok (27 november 1931), Geneve (26 juni
1936), een steeds ingewikkelder netwerk van verdragen. Vooral het laatste
verdrag tot de onderdrukking van de sluikhandel in verdovende middelen droeg
verder bij aan de criminalisering van het druggebruik door de verdragspartners
de verplichting op te leggen tot strenge bestraffing, i.c. met vrijheidsstraf
van alle overtreders van de bepalingen uit de betreffende verdragen. Ironisch
genoeg tekenden de Amerikanen juist dit verdrag niet omdat het ze niet ver
genoeg ging.
Na de Tweede Wereldoorlog ontfermde de Verenigde
Naties zich over de materie. De Economische en Sociale Raad van deze
organisatie stelde daartoe de: U.N. Commission on Narcotic Drugs in. Deze
commissie, thans bestaande uit 40 lidstaten, ging het mondiale drugsbeleid
voorbereiden.
Dit resulteerde in het Enkelvoudig Verdrag van New
York van 30 maart 1961, ook bekend als de Single Convention, omdat het in een
klap alle voorgaande verdragen door één verdrag verving.
Krachtens dit verdrag zijn partijen verplicht om
wetgevingen en administratieve maatregelen te nemen die nodig zijn om de
handel, de productie en het bezit van verdovende middelen alleen tot
geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden te beperken. Alle activiteiten
die niet op die wetenschappelijke en medische doeleinden zijn gericht moeten
als strafbare feiten worden beschouwd. Het verdrag kent vier lijsten met
stoffen ten aanzien waarvan een verschillend regime van toezicht geldt en op
voordracht van de wereldgezondheids-organisatie (WHO) kunnen de VN besluiten om
bepaalde nieuwe stoffen op een van die lijsten te plaatsen. Van die stoffen
moet dan wel zijn gebleken dat ze een ernstig gevaar vormen voor de
volksgezondheid dan wel dat er illegaal in wordt gehandeld. Het eerste is een
duidelijk criterium, het tweede uiteraard niet. Zolang een stof niet verboden
is, kan productie, handel en gebruik natuurlijk niet illegaal zijn! Afhankelijk
van de mate van misbruik kunnen stoffen van de ene lijst naar de andere worden
verplaatst. Nationale wetgevingen dienen dan aan die wijzigingen te worden
aangepast.
Het is van belang hierbij op te merken dat op het
moment dat de Europese landen al deze verdragen ratificeerde drugmisbruik geen
maatschappelijk probleem vormde. In tegenstelling tot alle andere wetten zijn
de opiumwetten in Europa niet als een reactie op een maatschappelijk probleem
tot stand gekomen, maar min of meer gedicteerd door het buitenland, met name de
Verenigde Staten, de "...barbarians of the West" for their
"extraordinary savage idea of stamping out all people who happen to
disagree ... with their social theories" against narcotics, against
alcohol -and in "their recent treatment of Socialists" (13). De
wereld werd zo slachtoffer van het
Amerikaans puritanisme, want in Europa waren het eigenlijk alleen nog enkele
chinese gemeenschappen waar niet-medisch opium werd gebruikt en in Azie
veroorzaakte het ook geen grote problemen meer, nu de agressieve verkoop door
de koloniale hersers was beeindigd. In de meeste Europese landen werd ook dat
bestreden, maar in Nederland, in Amsterdam en Rotterdam, werd het gedoogd
zolang het gebruik tot de chinezen beperkt bleef.
Voor een uitgebreider overzicht van de geschiedenis
van de opiaten zij verwezen naar Musto (14), Taylor (15) en McCoy (16).
De pharmacologie der opiaten.
De pharmacologische effecten der opiaten zijn het
gevolg van het feit dat deze stoffen net zo'n "baard" hebben als de
endorfinen en derhalve direct de endorfine-receptoren stimuleren (fig.9). Omdat
de opiaten eerder bekend waren, dan
de endorfinen, noemt men deze receptoren meestal
opiaat-
receptoren. We kunnen deze receptoren in de
hersenen traceren door radioactieve opiaten in te spuiten en vervolgens na te
gaan waar deze radioactiviteit zich in de hersenen ophoopt. Dat blijkt op zeer
specifieke plaatsen in de hersenen te zijn. Figuur 10 geeft deze plaatsen
schematisch aan.
De eerste concentratie van opiaatreceptoren wordt
gevormd door een zenuwcelsysteem dat een belangrijke rol speelt bij het
overbrengen van pijnprikkels. Een
kleine uitweiding over pijn is hier dan ook op zijn plaats.
Wanneer iemand zich onverwachts prikt, b.v. aan
een slecht opgeborgen naald in de naaidoos, dan wordt de gekwetste vinger al
teruggetrokken (en al dan niet bloedend in de mond gestoken) voordat er sprake
is van pijn. Dat is het gevolg van een ijlbericht vanuit de vinger naar het
ruggemerg waarvanuit meteen een bericht teruggaat naar de armspieren, te
vergelijken met de kniepeesreflex). Tevens gaat vanuit het ruggemerg een
ijlbericht naar de schors van de grote hersenen,
fig.9.
Overeenkomst tussen morfine (r) en endorfine (l).
hetgeen resulteert in het eerste pijngevoel. Tot
zoverre is er sprake van signalen die moeten leiden tot het direct reageren om
de schadelijke prikkeling te beeindigen. Als het daarbij
fig.10 De localisatie van opiaatreceptoren.
zou blijven is echter de kans groot dat een tweede maal even zo onvoorzichtig in de
naaidoos wordt gerommeld. Om dat te voorkomen en een leermoment in te voeren
gaan er vanuit het
ruggemerg ook (langzame) prikkels naar dat deel in
de hersenstam waarin opiaatreceptoren zitten. Dit deel is verantwoordelijk voor
het angstaanjagende, het bedreigende aspect van pijn en het is juist dat effect
dat door toediening van de opiaten zo effectief wordt bestreden. Het gevoel
zelf verdwijnt niet zozeer, maar het gevoel verliest haar bedreigende karakter.
Hieraan ontlenen de opiaten hun pijnstillende (analgetische) effect.
Het meest opvallende van dit pijnstillend effect
van opiaten is dat het daarbij vrijwel geen effect heeft op de andere
zintuigelijke gewaarwordingen, het bewustzijn en de motoriek. Alle andere
stoffen die een pijnstillend effect hebben, zoals lachgas, alcohol, ether en barbituraten,
hebben in een werkzame dosis ook een duidelijk effect op het bewustzijn, de
motorische coordinatie, het intellect en de emotionele controle. De slaperigheid
die opiaten kunnen veroorzaken, treedt pas bij hoge doseringen op.
Een concentratie van opiaatreceptoren zit ook in
het zgn. ademhalingscentrum. Deze
cellen fungeren als een soort metronoom, het apparaat dat maatloze mensen op de
piano hebben staan om de maat aan te geven. Deze metronoom reguleert op
vergelijkbare wijze de ademhaling, die naar behoefte op snel of langzaam gezet
wordt, maar op regelmatige wijze in‑ en uitademing laat plaatsvinden. Ook op
deze cellen hebben opiaten een remmende werking: onder invloed van opiaten
neemt de frequentie zowel als de diepte van de ademhaling af. Bij een overdosis
kan de ademhaling zelfs geheel tot stilstand komen. Door zuurstoftekort kan
vervolgens de hartspier niet meer kloppen en sterven vervolgens ook de
hersencellen af en treedt de dood in. Daarnaast dempen opiaten de gevoeligheid
voor hoestprikkels. Met name codeine wordt gebruikt in veel hoestdrankjes, maar
zelfs heroine wordt in Engeland voor dat doel aangewend.
De derde concentratie is het braakcentrum, dat normaal onder invloed van prikkels uit de maag
(bedorven eten etc.) de maagspier doet samentrekken, met braken als gevolg.
Deze cellen worden door opiaten geprikkeld tot activiteit: bij opiaatgebruik
resulteert misselijkheid en braken. Wel treedt meestal zeer snel tolerantie
voor dit effect op, hoewel enkelen jarenlang na elk `shot' blijven braken. Dit
effect treedt het sterkst op bij het opiaat apomorfine, dat specaal daarvoor medisc wordt toegepast.
Het effect van opiaten op het maag-darmstelsel,
dat ook grote aantallen opiaatreceptoren bevat, is het langst bekend. Lang
voordat opiaten werden gebruikt als pijnstillers werd opium toegepast tegen
diarrhee: opiaten remmen de darmperistaltiek. Bij heroine-verslaafden zien we
hierdoor meestal constipatie.
Opiaten hebben verder invloed op het endocriene
systeem. Door beinvloeding van de hypothalamus, het deel van de hersenen dat in
verbinding staat met de hypophyse, de dirigent van het hormonale orkest, wordt
de lichaamstemperatuur licht verlaagd, hoewel deze toeneemt bij chronisch
gebruik van hogere doseringen. Via de hypophyse verlagen opiaten de
hoeveelheden cortisol en testosteron in het bloed, hoewel deze effecten bij
chronisch gebruik weer verdwijnen als gevolg van tolerantie.
Opiaten beinvloeden voorts de pupillen: deze
worden vernauwd (miosis). Dit is een zeer betrouwbaar kenmerk van
opiaatgebruik. Overigens treedt bij verstikking (als gevolg van de
ademhalingsremming) bij overdosering pupilverwijding (mydriasis) op.
In de gebruikelijke therapeutische dosering
verwijdt morfine de bloedvaten in de huid, waardoor het gezicht, de hals en het
bovenste deel van de borst vaak een blos krijgen en warm aanvoelen. Dit is het
gevolg van het vrijmaken van histamine door morfine. Ook de jeuk en het zweten
dat we vaak zien bij opiaatgebruikers, is hiervan het gevolg.
De tot nu toe genoemde effecten verklaren niet de
stemmingsveranderingen die optreden bij opiaatgebruik en evenmin het fenomeen
"verslaving". Deze berusten op de invloed van opiaten op het grootste
cellencomplex dat bezaaid is met opiaatreceptoren, het limbische systeem en de
nucleus accumbens. Opiaten veroorzaken langs deze weg euforie, maar dempen
daarnaast negatieve prikkels als pijn en verdriet, wat leidt tot emotionele
onverschilligheid vaak gepaard met remming van de sexuele functies. Het effect
valt enigszins te vergelijken met dat op pijn: ze nemen niet het signaal weg
maar wel de ermee gepaard gaande emoties.
Chronisch gebruik van alle opiaten leidt tot een
duidelijke tolerantie en sterke lichamelijke
afhankelijkheid. De relatieve ernst van het abstinentiesyndroom is in het
algemeen evenredig met de werkingsduur, hetgeen leidt tot de paradoxale
situatie dat het abstinentiesyndroom van heroine weliswaar zeer snel optreedt,
doch lichter is dan dat van methadon.
De verschillende opiaten.
Opium wordt zowel gerookt, gegeten als ingespoten. De
werkingsduur ervan is lang (ruim 36 uur) en het abstinentie-syndroom hoewel
laat optredend vanwege de lange werkingsduur is heftig en langdurig vergeleken
met b.v. heroïne.
Een andere bereidingswijze is die van
"compôte", een ingekookt aftreksel van de hele papaverplant, dat zeer
populair is in Polen en andere oostbloklanden, waar papaverteelt op grote
schaal plaatsvindt voor de winning van zaad.
Morfine is zoals we reeds zagen het belangrijkste opiaat
uit opium. Het morfine gehalte van opium ligt tussen de 5 en 15 %. De werkingsduur van morfine is 4-6 uur. De
gebruikelijke therapeutische dosis is 5-15 mg/
In 1832 werd nog een tweede opiaat uit opium
geïsoleerd: codeïne, dat vooral als
anti-hoestmiddel wordt gebruikt.
Wanneer morfine in watervrij milieu verhit wordt
met azijnzuuranhydride, verbinden zich twee azijnzuurmoleculen met het
morfine-molecuul en verkrijgt men diacetylmorfine. Deze stof werd in 1898 voor
het eerst gesynthetiseerd door Dresser, waarop Bayer op 26-6-1898 patent
aanvroeg en vervolgens commerciëel op de markt bracht onder de naam waarmede de
stof nog steeds wordt aangeduid: heroïne.
Bayer adverteerde ervoor samen met een
ander nieuw product: aspirine.
fig.11.
Advertentie van BAYER voor heroïne en aspirine.
Heroïne is beter vetoplosbaar dan morfine en
passeert daardoor sneller de bloed-hersenbarrière. Hierdoor werkt het ook
sneller, maar tevens korter: 3-4 uur. De gebruikelijke therapeutische dosis is
4 mg. Het heeft bij gelijk analgetisch effect nog minder invloed op het
bewustzijn dan morfine.
Heroine werd in de eerste plaats aangewend als
middel bij de toen nog ongeneeslijke longtuberculose. De patient ging toch wel
dood, maar zonder hoest en pijn en bij een flinke dosis nog eufoor ook. De
tweede indicatie was... morfineverslaving. Zoals morfine aanvankelijk werd
gebruikt "tegen" opiumverslaving, werd nu heroine gebruikt tegen
morfineverslaving. Het resultaat laat zich raden.
Niet-medisch gebruik van heroine was voornamelijk
een amerikaans probleem. Na de opheffing van de alcoholprohibitie wierpen zowel
de inmiddels ontstane maffia als de ex-alcoholbestrijders zich op de
"drugs'. Vooral na de tweede wereldoorlog werd uit turkse opium in kleine
zuid europese (Marseille!) laboratoria morfine gewonnen, die vervolgens werd
omgezet in heroine. Deze werd vervolgens naar de V.S. gesmokkeld: de
"French connection". Pas laat in de zestiger jaren lekte er iets van
deze productie weg naar de Europese bevolking (16). In dezelfde tijd begon
opium weg te lekken uit de chinese gemeenschappen naar autochtone Europeanen. Deze gingen er ook toe over de
opium te spuiten.
In 1972 droogde de opium-supply plotseling op.
Aanvankelijk dacht men dat dit het gevolg was van effectief politie-optreden,
doch al snel werd duidelijk dat dit het gevolg was van ontwikkelingen in
Z.O.Azië. Daar werd met actieve steun van de CIA de heroïne-productie sterk
vergroot en vervolgens gedumpt om de west europese opium-markt. Binnen de
kortste keren werden alle voormalige opium-gebruikers heroïne-gebruikers.
Even snel kwam heroïne in zwang bij de zgn.
"speed freaks", gebruikers van amphetamine en metamphetamine
(Pervitine), die de overstimulatie door deze middelen tegengingen met heroïne,
vaak in een "shot" genomen.
Vervolgens breidde het heroïne-gebruik zich
gestaag uit onder nieuwere groepen, met name ook onder de diverse allochtone
groepen die inmidels Europa begonnen te bevolken.
Na de beïndiging van de Vietnam-oorlog nam de
toevoer van Z.O.Aziatische heroïne, de zgn. "brown sugar" vrij snel
af, doch dit werd gecompenseerd door het groeiende aanbod van Z.W.-aziatische
heroïne, afkomstig uit Pakistan en Afghanistan. Een samenhang met de oorlog in
Afghanistan ligt voor de hand. De felle concurrentiestrijd tussen deze twee
heroïne-bronnen leidden in elk geval tot een scherpe prijsdaling van de
heroïne. In Nederland is de verstrekking van methadon daarop zeker ook van invloed geweest.
Heroine is het eerste voorbeeld van een
halfsynthetisch opiaat: chemisch worden veranderingen aangebracht aan het
morfine-molecuul. Vele andere halfsynthetische opiaten volgden, zoals Methadon, een synthetisch opiaat, dat
in 1938 Bockmuehl en Erhart van I.G.Farben in Hoechst-am Main op zoek naar
darm-spasmolytica werd gesynthetiseerd. De narcotisch-analgetische werking werd
snel ontdekt en in een patent aanvraag in 1941 vastgelegd. Tijdens de oorlog
werd er verder echter niets mee gedaan. De fabriek viel na de oorlog in handen
van de Amerikanen en het eerste publieke rapport waarin melding gemaakt wordt
van methadon is dan ook een rapport over de activiteiten van I.G.Farben (later
Hoechst) tijdens de oorlog.
Het verhaal dat methadon werd gemaakt ter
vervanging van morfine waaraan een tekort zou bestaan als gevolg van de
belemmering van de opiumimport t.g.v. oorlogshandelingen, is onjuist. De naam
methadon is in 1947 gegeven door de Council on Drugs van de American Medical
Association.
Het onderscheidt zich van morfine en heroïne,
doordat het op andere wijze wordt afgebroken, goed werkzaam is bij orale
toediening en een langere werking heeft. De werking zou 24 uur aanhouden, doch
er zijn vele aanwijzingen dat dit slechts 20 uur het geval is. In elk geval is
er een grote individuele variatie tussen mensen.
Methadonverstrekking.
Methadon wordt aangewend als vervangingsmiddel voor heroïne, zowel
gericht op abstinentie (reductiekuur) als voor onderhoud (maintenance). Voor de
medicamenteuze behandeling van het abstinentiesyndroom, lijkt het overigens
niet onder te doen voor librium (17).
Het idee van substitutie en withdrawal is
overigens niet erg modern: het Koninklijk Decreet van Koning II of Thailand in
1809 bevat reeds de suggestie van zelfbehandeling van opium afhankelijkheid
door een geleidelijke vermindering van de dagelijkse dosis totdat volledige
abstinentie wordt bereikt (18).
Het verstrekken van methadon aan heroine
verslaafden werd door de uitvinders ervan, Dole en Nyswander, gebaseerd op een
somato-medische theorie: heroinegebruik zou een stofwisselingsafwijking
veroorzaken die voortgezet gebruik van heroine of andere opiaten tot noodzaak
maakt. Door de verstrekking van methadon, dat deze stofwisselings-afwijking zou
corrigeren en daarnaast de eufore werking van heroine zou blokkeren, zouden
patienten in staat gesteld worden normaal te gaan functioneren (19,20). De
behandelingsresultaten leken imponerend (21,22,23), eindelijk was er een
medische behandeling van heroine-verslaving gericht op functieverbetering:
methadon maintenance.
De rationale van deze behandeling was en is nog
steeds dat methadonverstrekking de criminaliteit die verbonden zou zijn aan het
heroinegebruik zou verminderen en heroine-verslaafden in staat zou stellen een
sociaal productief bestaan te leiden of, zoals geformuleerd in een recente
methadonfolder van eigen bodem: "Methadon is bedoeld om de gebruiker ervan
in staat te stellen te functioneren zonder gebruik te maken van illegale
middelen met alle risico's die daarmee samenhangen zoals criminele
activiteiten, eventuele besmettelijke ziekten etc." (24)
Zoals al gezegd leken de verwachtingen die men had
van methadonverstrekking door de werkelijkheid te worden overtroffen: de
evaluatie van Dole's programma's door Gearing (22,23) gaf aan dat 50 tot 85%
van de patienten weer "sociaal productief" zouden zijn geworden.
Toch plaatste Trimbos (25) na een bezoek aan het
New Yorkse programma van Dole & Nyswander al in 1971 vraagtekens. Indien de
verslaving het gevolg is van karakterdefecten of psychische stoornissen, dan
zou methadonbehandeling alleen maar een maskerend effect hebben op die defecten
en een goedkoop schijnsucses zijn. Dole en Nyswander wijzen het premorbide
sociopathische gedrag af als oorzaak van de verslaving en Trimbos voelt zich
min of meer gedwongen hen te volgen in die opvatting onder de indruk als hij
was van de gegevens die hem werden verstrekt, maar hij blijft voorzichtig en
mist "de aandacht voor de sociogenese van de verslavingsziekte".
Tussen de regels proef je zijn twijfel. Het is overigens na de ontdekking van
de opiaatreceptoren in 1972 door Kosterlitz natuurlijk een stuk eenvoudiger om
in dit soort kwesties de of/of opstelling die toen vigeerde te vermijden.
In 1972 leveren Maddux en Bowden (26) scherpe
kritiek op de methadonbehandeling. Zij stellen dat 1) de vervanging van heroine
door methadon op zich al als sucses geboekt wordt, 2) de afname van het
crimineel gedrag niet duidelijk naar voren komt uit de gepubliceerde gegevens
en 3) het opgegeven aantal werkenden gemiddeld slechts 15% hoger ligt dan bij
drugvrije behandelprogramma's en nergens uit blijkt dat die winst van 15 % nu
echt aan de methadon ligt. Zij beschouwen de rapporten over het sucses van de
methadonbehandeling zowel dubbelzinnig als overdreven.
Preble (27), wiens eigen veldwaarnemingen een veel
minder rooskleurig beeld te zien gaven dan de door Gearing gepresenteerde
resultaten, toont echter aan dat diens cijfers gebaseerd zijn op gegevens die
ontleend zijn aan de programma's en dat die weer het resultaat waren van
ongecontroleerde mededelingen van de patienten zelf. Gearing controleerde niet
zelf hoe het de patienten verging en zijn bevindingen bleken derhalve totaal
onbetrouwbaar te zijn. Preble zelf beschrijft het gedrag van de zgn. sociaal
productieve personen als volgt: "They pick up their methadone, get their
welfare check and pay their rent, buy pills and drink booze", een beeld
dat we in ons land in de tachtiger jaren maar al te goed hebben leren kennen.
Slechts 14% van de door hem onderzochte populatie gebruikte de methadon zoals
bedoeld d.w.z. bleven drugvrij m.b.t. overige drugs, waren niet meer crimineel
en hadden werk. Overigens geven Haddox en Jacobson (28) al in 1972 aan dat het
mogelijk is een voorspelling te doen over het al dan niet slagen van de
maintenance behandeling met behulp van psychologische tests.
Tot zoverre de geschiedenis van de
methadonverstrekking in de VS. In Nederland zien we een geheel andere
ontwikkeling. Al aan het einde der zestiger jaren begon men daar ook
opiumverslaafden met methadon te behandelen en deze verstrekking is na de
introductie van heroine in 1972 omgevormd tot een regulier programma, maar
i.t.t. de Amerikaanse programma's ging het hier om een reductieprogramma
waarbij veel lagere doseringen werden gehanteerd. Echter terugval bleek na
voltooiing der reductiekuur eerder regel dan uitzondering te zijn, waarna
heropname in het programma volgde voor een nieuwe kuur. Deze praktijk groeide
uit tot een soort zaagtandverstrekking: geen maintenance, maar een reeks van
geleidelijke verlagingen van dosering afgewisseld met plotselinge verhogingen.
In 1977 ving de Stichting Kontakt Sentra op het
HUK aan met een groot opgezet "laagdrempelig" onderhoudsprogramma
voor haar klanten, die zij overigens al jaren kende uit dagelijkse observatie.
"Met deze verstrekking hopen wij te
bewerkstelligen, dat het accent op de rol van de heroine in het leven van de
verslaafde minder nadrukkelijk wordt (humanisering), dat het levensritme van de
gebruikers gelijkmatiger wordt, waardoor toegankelijkheid voor verdere
hulpverlening vergroot wordt en dat allerlei activiteiten (werk, verblijf
buiten Amsterdam, uitstapjes met de groep, etc.) veel eenvoudiger gerealiseerd
kunnen worden (29)."
Bij het z.g.n. laagdrempelige karakter van dit
programma dient overigens te worden aangetekend dat dit vnl. slaat op de eisen
die binnen het programma gesteld werden aan de deelnemers, toetreden tot het
programma was uiterst moeilijk, gericht als het was op slechts de extreem
problematische verslaafden.
De doelstelling van dit programma week dus sterk
af van zowel de maintenance programma's in de V.S. als van de langzame
ambulante detoxificatie annex resocialisatie.
Het geloof dat een methadonslikkende junkie een
nette burger wordt a la Dole & Nyswander en dat in sommige kringen nog
steeds lijkt voort te leven, werd in elk geval overboord gegooid. Het
behandelingsconcept verdween. Anderen stelden hiervoor hiervoor echter een
nieuwe evenzeer medisch georienteerde visie voor in de plaats. Het begrip
"zelfmedicatie" stond aan de basis daarvan. In deze visie wordt de
methadonverstrekking gezien als een middel dat op een psychiatrische indicatie
wordt gegeven: methadon als antipsychoticum en/of major tranquillizer.
Dit laat zich het beste illustreren aan het door
W.G.Mulder in de vroege jaren tachtig op epidemiologische gronden geformuleerde
principe van de "kale" verstrekking, dat richtsnoer werd voor het
Amsterdamse methadonbeleid. Komen, slikken, wegwezen was daarbij het
uitgangspunt, ten hoogste gecombineerd met elementaire medische zorg. Voor anders-soortige
op rehabilitatie gerichte interventies was en is binnen dit systeem geen
plaats, als klanten daar behoefte aan hebben dan zoeken ze dat maar elders.
Amsterdamse politici hebben dit ook wel eens (uiterst onmedisch) vertaald met
het principe "Do ut des", ik geef opdat u geeft, waarmede werd
aangegeven dat de junkie methadon kreeg opdat hij zich wat socialer zou
gedragen.
De fout van deze gedachte zit hem in het gegeven
dat enerzijds impliciet wordt verwacht dat de junkie er behoefte aan had zich
anders te gedragen, terwijl allang duidelijk is dat het heroinegebruik
zingevend is voor de verslaafde (30,31) en anderzijds de verwachting dat de
geboden methadon kan tippen aan de begeerde heroine. Maar de junk die zich tot
een methadonprogramma wendt, doet dit niet uit een behoefte aan een behandeling
waarbij doel is een gedragsverandering waar ook hij naar streeft, doch als een
pharmacologische crisisinterventie, waar hij pas naartoe gaat als hij het
zelfstandig niet meer kan rooien. Hij wil niet met dope stoppen, maar kan er -
al dan niet kortdurend - niet meer mee door gaan zoals tevoren: hij is te oud,
te moe, te zwak (32,33).
Zowel de ambulante detoxificatieprogramma's als de
slechts op extreem problematische druggebruikers gerichte programma's hadden
gemeen dat zij de verstrekking slechts als onderdeel van een totale op
rehabilitatie gerichte behandeling zien. Het is ironisch om te zien dat datgene
wat zij trachtten te vermijden juist door de drempelloze "kale"
verstrekking alsnog in Nederland werd gerealiseerd. In het bovengenoemde
artikel van Preble (30) en in een artikel van Soloway (32) werd immers al in de
zeventiger jaren duidelijk gemaakt wat de effecten van grote, open methadon
maintenance programma's waren. Onder die omstandigheden is methadonverstrekking
een lapmiddel. Vrijwel alles wat zij toen al beschreven, heeft Nederland in de
tachtiger jaren te zien gekregen. Wie niet horen wil moet voelen.
De verstrekking van methadon aan verslaafden in al
haar verschillende vormen wordt nog steeds beschouwd als een medische
(be)handeling, een pharmacologische interventie. Echter de praktijk wijst
anders uit. De "kale" verstrekking, die geen onderdeel is van een
gestructureerd behandelings-programma gericht op rehabilitatie, is geen
behandeling. Immers, welke arts blijft een geneesmiddel geven als dat niet
blijkt te werken? Er is toch weinig twijfel mogelijk aan het gegeven dat voor
een aanzienlijk deel der methadon-klanten het methadongebruik niet leidt tot
significante sociale rehabilitatie zoals Dole & Nyswander die beschreven.
De praktijk leert bovendien dat
methadonverstrekking levenslang betekent voor het merendeel der patienten. Niet
dat daar iets op tegen is als het zou werken, maar we zien dat het niet werkt.
Dan is er zelfs een ondoordachte uitspraak van een
Nederlandse rechtbank dat methadon een recht is voor een verslaafde.
Natuurlijk, elke nederlandse burger heeft recht op medische voorzieningen en
die rechten zijn welomschreven in het ziekenfondspakket. Volstrekt terecht
weigeren de ziekenfondsen de (min of meer kale) methadonprogramma's te
financieren, want meestal is methadonverstrekking in Nederland geen medische
behandeling. Methadon is er slechts als door de overheid gesubsidieerd
basisgenotmiddel voor elke junk.
Een ander te overwegen model zou zijn de
verstrekking te koppelen aan de reclassering: methadon wordt verstrekt zolang
en alleen zolang als de "patient" zich niet op het slechte pad
beweegt. Dit zou een rationele toepassing zijn van het "Do ut
des"-principe, geheel conform het Amerikaanse model van Dole &
Nyswander, maar dan onder strikte individuele controle. Indien iemand in zo'n
programma mislukt, d.w.z. met de politie in aanraking komt, dan moet hij b.v.
maar 2 jaar wachten voor hij het opnieuw mag proberen. Hier is geen sprake meer
van medisch handelen, maar wel van functioneel gedrag gezien vanuit de
ordehandhavers. Het aantal deelnemers aan zo'n programma zal niet veel meer dan
5 % van de huidige methadonklanten bedragen.
In 1984 stelde De Mug (34) voor methadon
uitsluitend als medicijn, dus behandelingsgericht, te gebruiken. We mogen
veronderstellen dat het aantal daarvoor in aanmerking komende patienten niet
meer dan ca. 10% van het huidige aantal zal zijn. In elk geval blijft
methadonverstrekking mogelijk als
onderdeel van een geintegreerde behandeling, waarbij er sprake is van concrete
in de tijd vastgelegde doelen en controlepunten. Indien zo'n behandeling
mislukt kan gekozen worden voor een snelle afbouw van de methadon.
De kale verstrekking als medische verrichting wordt
nu beargumenteerd als lokmiddel vooral i.v.m. AIDS, maar dan leg je iemand wel
langdurig aan een pharmacologische ketting waarvan het lastiger is af te komen
dan van heroine. Logischer zou het zijn i.v.m. AIDS heroine maar te
legaliseren. Het in een methadonprogramma lopen lijkt toch bepaald niet bij te
dragen aan iemands verantwoordelijkheidsgevoel en daar gaat het toch vooral om
in relatie tot de HIV-problematiek, om maar niet te zeggen zijn resocialisatie.
Uiteraard kan methadon of morfine i.v. verstrekt
worden als palliatieve behandeling (bv. bij verslaafde AIDS-patienten), maar
dat kan tenslotte ook met heroine.
Wellicht denkt de lezer nu dat schrijver dezes
grote bezwaren heeft tegen methadon. Welnu dat is niet het geval, hij heeft
evenveel of even weinig bezwaar tegen methadon als tegen heroine of andere
drugs, want zonder dat de methadon-verstrekking het oorspronkelijke doel, het
overbodig maken van vermogenscriminele handelingen ter verwerving van opiaten,
voor grote aantallen verslaafden op significante wijze heeft bereikt, heeft het
legale, gemedicaliseerde aanbod van methadon niet alleen een gunstige invloed
gehad op de heroïne-markt, maar vooral ook op de impact van de AIDS-epidemie.
Nee, schrijver dezes heeft bezwaar tegen de
hypocrisie die aan de methadonverstrekking ten grondslag ligt. De
onvermijdelijke conclusie is dat de methadon-verstrekking in Nederland in veel
gevallen noch een medisch, noch een wetenschappelijk doel dient en dus strijdig
is met de opiumwet, sterker nog gehanteerd wordt om de opiumwet te ontkrachten.
Dat is natuurlijk geen ernstige zaak. Voor het afschaffen van de opiumwet
pleitte schijver dezes reeds eerder (35), gezien het feit dat de
strafrechtelijke benadering van het misbruik van stoffen bepaald niet gebleken
is een werkzame te zijn. Verslaving is al erg genoeg, moeten we de verslaafde
nu ook nog criminaliseren? Wel noopt deze constatering ons tot de vraag of we
nu wel zo gelukkig moeten zijn met de "uneasy concensus" tussen
artsen en ordebewakers die het huidige methadonbeleid voor een groot deel vorm
geeft. Het is prima om de opiumwet onderuit te halen, maar schaf hem dan af en
als dat niet kan wegens "internationale" consequenties, erken dan dat
je bezig bent de wet te ontduiken, b.v. door alle poespas van de verstrekking
te halen: elke junk zijn creditcard om op bij de plaatselijke drogist zijn
gewenste portie in ontvangst te nemen i.p.v. bij een
drug-"hulpverlener". En laat hem voor zijn creditcard betalen,
niemand krijgt immers zijn genotmiddelen voor niets.
Opiaat-antagonisten.
Het verslavingsprobleem leidde tot het zoeken naar
stoffen die wel de pijnstillende werking van morfine, maar niet de verslavende
werking ervan hebben. De eerste stof die hieruit resulteerde was nalorfine, een stof die opiaten
tegenwerkt en dus wordt gebruikt voor de behandeling van een acute
opiaat-overdosis. Deze stof blokkeert de opiaat-receptoren, zodat ze niet door
opiaten geprikkeld kunnen worden. Bij toediening ervan zij men voorzichtig: een
teveel veroorzaakt bij opiaatafhankelijken een acuut abstinentiesyndroom! Toch
bleek nalorfine ook nog enige opiaat-agonistische werking te hebben en dus werd
er verder gezocht.
De volgende stof was een volledige antagonist: naloxon. Deze echte antagonist heeft
vrijwel geen effect, tenzij sprake is van voorafgaand opiaatgebruik. Kort
daarna werd naltrexon ontwikkeld,
dat dezelfde effecten heeft als naloxon, maar beter oraal is toe te passen en
een langere werkingsduur heeft. Deze stoffen blokkeren de werking van opiaat
agonisten volledig, zonder noemenswaardige bijeffecten. De stof is virtueel
niet toxisch. Indien naltrexon in voldoende dosis (120 mg 3x week) gegeven
wordt, wordt van heroine geen effect meer ondervonden. De pharmacologische
basis voor naltrexon-therapie die in de V.S. wordt voorgesteld en ook in
Nederland besproken wordt staat dus niet ter discussie. Aangezien de blokkade
competitief is kunnen hoge doseringen heroïne de naltrexon overschreeuwen.Dit
lijkt echter onzinnig: zoveel heroïne is kostbaar, het is makkelijker om een
keer geen naltrexon te nemen en dan vrolijk heroïne te gaan gebruiken.
Naltrexon-maintenance heeft dus geen zin voor diegenene die niet clean door het
leven willen gaan, maar wel voor diegenen die dat wel willen. Deze groep kan
naltrexon beschermen tegen onvoorziene situaties waarin zij zouden kunnen
bezwijken voor een plotselinge verleiding (een oude vriend uit de scene
tegenkomen etc.)
BARBITURATEN.
De grondstof voor deze groep sterke slaapmiddelen,
barbi-tuurzuur, die zelf geen invloed heeft op het CZS werd reeds in 1863
gesynthetiseerd en barbital, werd
onder de merknaam Veronal rond de eeuwwisseling als slaapmiddel geintroduceerd
(36,37). Het medisch gebruik ervan is, na een grote vlucht, sedert de
introductie van de benzodiazepinen sterk verminderd en beperkt tot een paar
specifieke situaties. De voornaamste reden daarvan is dat deze stoffen niet
alleen een sterke lichamelijke afhankelijkheid en een grote
tolerantieontwikkeling te zien geven, maar ook een zeer geringe therapeutische breedte hebben. Overdosering met
dodelijke afloop is verre van zeldzaam, vooral ook omdat de therapeutische
breedte bij toenemende tolerantie nog afneemt.
Het abstinentiesyndroom kan i.t.t. dat van opiaten
levensbedreigende vormen aannemen, vooral door het optreden van insulten. Bij
acute intoxicatie treedt coma op, daarnaast kunnen ze bij chronische
intoxicatie leverbeschadiging en delirium veroorzaken.
De barbituraten grijpen aan op de GABA-receptoren
en veroorzaken daardoor een algehele remming van de activiteit van het CZS, in
het bijzonder van dat deel van de hersenstam, waar het waak-slaap rithme wordt
geregeld. Door het remmen van activerende prikkels veroorzaken ze slaap. De
enige activerende prikkels welke niet door barbituraten worden afgeremd zijn
pijnprikkels.
Chronische barbituraat-gebruikers vertonen vaak
prikkelbaarheid, agressiviteit, maar ook traagheid, verwardheid en gebrek aan
controle over emoties (huilen). Daarnaast vertonen ze neurologische
verschijnselen als nystagmus, dysarthrie en cerebellaire ataxie.
Geforceerd wakker blijven na inname van
barbituraten, kan evenals met andere remmers (rohypnol) een paradoxaal
roeseffect geven, een effect dat ook relatief vaak voorkomt bij bejaarden en
patienten met organische stoornissen van het CZS.
Barbituraatgebruik leidt tot het toenemen van de
activiteit in de lever van het cytochroom P-450, waardoor andere exogene zowel
als endogene stoffen minder worden afgebroken (o.a. steroiden), terwijl het
andere enzymsystemen weer stimuleert, waardoor sommige drugs juist minder
werken (o.a. chlorpromazine, griseofulvine en coumarines). Hierdoor treden bij
chronische barbituraatgebruikers regelmatig stoornissen op in het endocriene
evenwicht en bestaat een risico van negatieve wisselwerkingen met andere drugs.
Andere slaapmiddelen.
Naast de barbituraten zijn nog een aantal andere
slaapmiddelen ontwikkeld zoals Glutethimide
(merknaam: Doriden), "een barbituraatvrij slaapmiddel zonder enige
bijwerking" volgens de fabrikant, waarvan toch hardnekkige verslavingen
zijn beschreven, waarbij naast dezelfde verschijnselen van chronisch
barbituraatgebruik vooral de vermagering door extreme eetlustremming opvalt.
Daarnaast methaqualon (merknamen:
Mandrax, Revonal, Isonox). Ook de laatste stof beinvloed het metabolisme van
vele andere drugs en is daardoor gevaarlijk in combinaties.
Een deel van de medische verstrekking van deze
slaapmiddelen vindt haar weg naar de illegale drugmarkt. Het betreft hier
overigens niet zozeer de barbituraten zelf als methaqualon e.a. Berucht is
geworden de combinatie alcohol-slaapmiddel-opiaat. Hierop zal later in het
kader van het polydruggebruik nader worden ingegaan.
BENZODIAZEPINES.
In 1957 werd door Rendall bij de Firma Roche de
sedatieve werking ontdekt van het door Sternbach aldaar reeds in 1955 gesynthetiseerde
chlordiazepoxyde. Vervolgens werden grote aantallen vergelijkbare stoffen
gesynthetiseerd, waarvan diazepam (valium), flunitrazepam (rohypnol), oxazepam
(seresta) en lorazepam (temesta) de bekendste zijn. Deze stoffen grijpen aan op
de GABA-receptoren, echter in tegenstelling tot de barbituraten die in de
eerste plaats op het niveau van de hersenstam werken, zijn de subcorticale
kernen het primaire aangrijpingspunt. Daardoor werken ze kalmerend, met slechts
geringe invloed op de cognitieve functies en het bewustzijnsniveau. Ze werken
niet primair als slaapmiddel, maar reduceren de sterkte van binnenkomende
sensorische prikkels: het lijkt dus rustiger om je heen te worden. Het
indicatiegebied is dus vooral als anxiolyticum.
Valium heeft als bijzonderheid nog een
spierverslappende werking.
Hoewel aanvankelijk gedacht werd dat
benzodiazepinen geen afhankelijkheid gaven, is naderhand gebleken dat dit wel
het geval is. De abstinentieverschijnselen vloeien voort uit de werking ervan.
Als de chemische rust om je heen wordt opgeheven door beëindiging van het
gebruik wordt het juist onrustig voor je, hetgeen resulteert in angst etc. Dit
zijn echter juist de verschijnselen waarvoor men deze middelen voorschrijft,
waardoor men snel in een vicieuze cirkel van afhankelijkheid terecht komt.
Benzodiazepinen zijn zeer weinig toxisch:
suïcide-pogingen ermee zijn gedoemd te mislukken, tenzij ze gecombineerd worden
met andere middelen (alcohol).
ALCOHOL
Alcohol verdeelt zich snel over het lichaam en kan
gemakkelijk in de cellen en weefsels van alle organen doordringen. Het wordt op
verschillende wijzen geelimineerd. Een klein gedeelte wordt onveranderd
uitgescheiden, deels door de longen (foetor
alcoholicus) direct gerelateerd aan het bloedalcoholgehalte, deels door de
nieren. Het grootste deel wordt gemetaboliseerd.
Een deel geschiedt in het maagslijmvlies door het
enzym alcoholdehydro-genase (ADH). De activiteit van maag-ADH is bij mannen
veel groter dan bij vrouwen, waardoor vrouwen bij gelijke hoeveelheden orale
alcoholconsumptie een hogere bloedspiegel krijgen dan mannen (38).
Het merendeel wordt afgebroken in de lever die
over twee systemen beschikt:
1. Het alcoholdehydrogenase systeem
ADH katalyseert de oxydatie van alcohol tot
acetaldehyde Acetaldehyde wordt vervolgens geoxydeerd tot acetaat onder invloed
van het enzym aldehyde-dehydrogenase (ALDH), waarbij melkzuur wordt gevormd:
het lichaam verzuurt: lactaatacidose.
Dit gaat ten koste van de koolhydraat-stofwisseling en kan leiden tot
hypoglycaemie (een te lage bloed-suikerspiegel).
2. Het microsomaal ethanol oxyderend systeem
(MEOS)
Het MEOS-systeem is vooral actief bij hoge
alcohol-spiegels. Ook door dit enzymsysteem wordt alcohol afgebroken tot
acetaldehyde. Bij voortdurende stimulatie van dit systeem blijkt het zich
steeds sterker te ontwikkelen, zodat per tijdseenheid een grotere hoeveelheid
alcohol kan worden afgebroken bij aanhoudend gebruik. Ook andere stoffen worden
in het MEOS-systeem gemetaboliseerd waardoor alcohol hun werking beinvloed.
Alcohol wordt bij de niet-chronische drinker
lineair geëlimineerd. De lever heeft ongeveer anderhalf uur nodig om één
standaardconsumptie (10 gram) te elimineren.
Het bloedalcoholgehalte is overigens niet lineair
gecorrelleerd is aan de mate van intoxicatie: er bestaan grote verschillen in
de gevoeligheid van individuen voor alcohol.
Door de activiteit van de afbrekende enzymen is
het alcoholpercentage in het bloed nooit gedurende langere tijd constant. Het
stijgt vrij snel bij inname, maar daalt daarna gelijkmatig. In het stijgende
deel van de curve worden de effecten van alcohol als plezierig ervaren. Bij
dezelfde concentratie in het dalende deel is het effect minder prettig.
De biochemische gevolgen van het metabolisme van
alcohol
De meeste schadelijke gevolgen van alcoholgebruik
worden veroorzaakt door de afbraakproducten: zuur en acetaldehyde. Alcohol zelf
heeft weinig schadelijke gevolgen.
Zuur
Naast de vorming van melkzuur wordt ook de
oxydatie van
fig.13.
"Gin Lane", een gravure van William Hogarth, die op wat overtrokken
wijze de alcohol-epidemie weergeeft, die Engeland trof toen voor het eerst
alcohol in gedistilleerde vorm goedkoop ter beschikking
kwam.
vetzuren verstoord. Vetzuren, die niet meer worden
afgebroken, gaan cumuleren in de levercel, waardoor vetlever ontstaat. Deze
stapeling van vetzuren tracht de lever te verminderen, door ze in de bloedbaan
af te scheiden. Zo ontstaat hyperlipidemie, teveel vet in het bloed. Dit draagt
bij aan "aderverkalking".
Acetaldehyde
Het meeste acetaldehyde wordt snel omgevormd tot
acetaat, echter een klein deel ontsnapt naar de bloedstroom en geeft ook elders
in het lichaam effecten. Acetaldehyde geeft beschadiging van de cellen,
waardoor de afbraak van acetaldehyde verder kan vertragen. In de lever
verstoort acetaldehyde de
eiwitstofwisseling, zodat eiwitstapeling optreedt en daardoor extra
leververgroting.
De acetaldehyde die ontsnapt naar de bloedbaan kan
het vrijkomen van adrenaline en dopamine bevorderen, maar in het algemeen
blijft de acetaldehydespiegel daarvoor te laag. Hierop bestaan twee
uitzonderingen:
1. vooral bij Aziaten treedt een genetische
bepaalde versnelde acetaldehydeproductie op, die reeds na het nuttigen van
geringe hoeveelheden alcohol tot tachycardie, transpireren, hoofdpijn,
bleekheid, en misselijkheid kan leiden.
2. Dezelfde verschijnselen treden op als reactie
op disulfiram (Antabus, Refusal). Disulfiram remt ALDH, waardoor een snelle
cumulatie van acetaldehyde ontstaat na alcoholgebruik. Door de vrijwel
volledige blokkering van ALDH ontstaat een hevige reactie ± 5 tot 15 minuten na
drankgebruik ten gevolge van het vrijkomen van catecholaminen.
Invloed op de neurotransmitters.
In de
hersenen vindt in het algemeen een inhibitie plaats, ook van de remmende
systemen. Door demping van de remmende systemen kan alcoholgebruik leiden tot
een stemmingsverbetering en blijken sociale contacten gemakkelijker en vlotter
te verlopen (schijnbare activatie).
De
acetaldehyde vormt samen met natuurlijke aminen (zoals dopamine en serotonine)
en hun metabolieten complexen, de zogenaamde tetra-hydro-iso-quinolinederivaten
(TIQ's). Door de snelle vorming van deze complexen blijft de concentratie van
acetaldehyde in het bloed van alcoholisten toch relatief laag.
De twee belangrijkste TIQ's zijn
tetrahydropapaveroline (THP) en salsolinol. De TIQ's gaan in het centrale
zenuwstelsel een interactie aan met de opiaatreceptoren (39). Mogelijk speelt
dit mechanisme een rol bij het ontstaan van alcoholafhankelijkheid, die dan
dezelfde neurobiochemische basis zou hebben als de opiaatverslaving, omdat
TIQ's morfine-achtige stoffen zijn. Deze hypothese wordt versterkt door de
bevinding dat toediening van naloxon
ook de objectieve effecten van alcohol-intoxicatie tegengaat, evenwel niet de
subjectieve (40).
Daarnaast beïnvloedt alcohol, dan wel de
metabolieten ervan ook de GABA-receptoren. Een experimentele stof (Ro15-4513,
een benzodiazepinederivaat) blijkt zich te binden aan de GABA-receptoren en
daardoor de effecten van alcohol te blokkeren, terwijl toediening van een
GABA-receptor blokkerende stof het effect van Ro15-4513 weer blokkeert (41,42).
Voorts beïnvloedt alcohol de glutamaat (NMDA)-receptor (5).
Bij toediening van alcohol in hoge dosis aan
proefdieren neemt de serotonineproductie sterk toe. Als we waarnemen dat de
5-HIAA (de belangrijkste metaboliet van serotonine) spiegel laag is bij
alcoholisten wanneer ze niet drinken, kan worden verondersteld dat het gebruik
van alcohol een vorm van zelfmedicatie is om een te lage serotonineproductie te
corrigeren (5).
Tenslotte beïnvloedt alcohol ook de noradrenaline
en dopamine stofwisseling: een verhoging van de NA-productie ná chronisch
gebruik en verhoging van de DA-productie na acuut gebruik. Bij chronisch
gebruik treedt tolerantie op voor het DA-effect (5).
Tolerantie
Na langdurig alcoholgebruik ontstaat
alcoholtolerantie: berustend op adaptatie
in het centrale zenuwstelsel en metabole
tolerantie, berustend op een toegenomen capaciteit van het MEOS. Dit
enzymsysteem heeft ook een functie bij de afbraak van medicamenten zoals
anticoagulantia, benzodiazepines, barbituraten en narcotica en dus neemt dan de
capaciteit om deze middelen te metaboliseren ook toe. Dit maakt het
voorschrijven van geneesmiddelen aan patiënten die langdurig veel alcohol
gebruiken moeilijk. De versterking van het effect van benzodiazepinen en
barbituraten door alcohol loopt waarschijnlijk door de invloed van alcohol op
de GABA-receptoren. Veel alcoholgebruikers weten maar al te goed dat de
alcohol-werking wordt versterkt door librium en maken daar gebruik van.
Alcohol en voeding
Hoewel alcohol per gram 7,1 kcal. levert, kan het
niet als voedingsstof worden opgevat, omdat het geen bouwstoffen levert die het
lichaam nodig heeft. Het zijn lege calorieën. Chronische drinkers hebben, mede
door het calorieën-aanbod, geen honger, waardoor gemakkelijk tekorten kunnen
ontstaan aan eiwitten, vitaminen en sporenelementen. Voorts veroorzaakt alcohol
verterings- en resorptiestoornissen door veranderingen in structuur en functie
van dunne darm, lever en pancreas. Tenslotte kan een voedingsdeficiëntie tot
atrofie van de dunne darm leiden, hetgeen resorptiestoornissen tot gevolg
heeft.
Een adequaat dieet kan de verschillende vormen van
ondervoeding niet voorkomen.
De belangrijkste deficiënties zijn aan vitamine B1, tot uiting komend in
polyneuropathie en het syndroom van Wernicke-Korsakoff en aan foliumzuur, dat leidt tot
megaloblastaire anemie.
Klinische effecten van alcoholmisbruik
Spijsverteringsstelsel
Een verhoogde kans op het ontstaan van carcinomen
in het bovenste gedeelte van het spijsverteringsstelsel, die nog toeneemt
indien er bovendien wordt gerookt. Verstoringen van de peristaltiek en de
spanning in de sfincters (zuurbranden en opboeren). Gastritis: misselijkheid,
pijn in de bovenbuik, ochtendbraken en bloedbraken. Maagzweer. In de dunne darm
toename van de slijmproductie en daling van de darmmotiliteit leidend tot
diarrhee en vlokatrofie, leidend tot voedings-deficiënties.
Pancreas
Acute, recidiverende en chronische pancreatitis.
De chronische pancreatitis houdt zichzelf in stand. Staken van het
alcoholgebruik kan geen genezing meer geven.
Lever
Naast elkaar kunnen bestaan: vetlever, hepatitis,
fibrose en cirrose. Uiteindelijk zal de leverfunctie ernstig verstoord raken
hetgeen gevolgen heeft voor vele lichaamsfuncties: een bloedstollingsstoornis,
een geneesmiddelenintoxicatie bij normale dosering of een encephalopathie.
Hart
De hartcontractiliteit neemt af, uiteindelijk
ontstaat een cardiomyopathie. Daarnaast aritmieën ontstaan. Plotselinge
hartdood zou bij alcoholisten vaker voorkomen. Waarschijnlijk berust dit op een
combinatie van een aritmie en coronair-sclerose. Ondanks het bestaan van een
hyperlipidemie blijkt uit sommige studies dat de kans op coronairsclerose
kleiner is bij alcoholisten dan bij niet-drinkers.
Bloed
Megaloblastaire anemie ten gevolge van een tekort
aan foliumzuur en hemolytische anemie door een direct toxisch effect van
acetaldehyde. Trombocytopenie, een terkort aan bloedplaatjes leidt tot
stollingsstoornis.
Nieren
Een verminderde uitscheiding van urinezuur kan
leiden tot een jichtaanval. Verder veroorzaakt alcohol een onderdrukking van
het antidiuretisch hormoon, met als gevolg een toename van de urineproductie,
waardoor watertekort kan optreden.
Neurologische en psychiatrische gevolgen
Voor de acute
alcoholintoxicatie zie onderstaande tabel.
0/00 aantal glazen gevolgen
0,2 1 begin
veranderingen van stemming en gedrag
0,5 2 à 3 legale
grens voor deelname aan het verkeer
1 4 à 5 waggelen, grens van het sociaal aanvaardbare
2 ca. 10 overgeven, ataxie, dubbelzien, black-outs
3 ca. 15 verlies van spraak en depressie van de ademhaling,
ongevoelig voor pijn
3,5 - 4 ca. 20 ademstilstand
>4 bij nog hogere
concentraties ontstaat een hartstilstand.
De
effecten bij deze promillages gelden voor matige drinkers.
Verdere neurologische complicaties zijn:
- Een symmetrische polyneuropathie in de vorm van sok- en handschoenuitval, waarbij de
sensibele stoornissen op de voorgrond staan: "Er lopen allemaal beestjes
over mijn arm".
- Myopathie
zou een direct gevolg zijn van de toxische invloed van alcohol. Ze kan zowel
acuut als chronisch van aard zijn.
- Het syndroom
van Wernicke-Korsakow is vnl. het gevolg van vitamine B1 tekort. Het is
gekenmerkt door: constant zware psychische stoornissen: desoriëntatie in
ruimte, tijd en personen; geheugenstoornis in de zin van een
inprentingsstoornis vaak met een euforische inslag; confabulaties;
dubbelzijdige oogspierverlamming; bloedingen in het netvlies. Anatomisch ziet
men veel kleine bloedingen, diep in de hersenen. Onbehandeld leidt deze ziekte
tot de dood. De behandeling bestaat uit toediening van vit.B1 in hoge
doseringen.
- Slaapstoornissen
in de zin van veranderde slaapstructuur: vroeger ontwaken en onderdrukking van
de REM-slaap, waarin gedroomd wordt, ondanks het gebruik van alcohol als
'slaapmutsje'.
Alcoholonthoudingsverschijnselen.
Na het staken of verminderen van langdurig en
zwaar alcoholgebruik treden grove tremoren op en een aantal der volgende
verschijnselen: misselijkheid of braken, malaise, tachycardie, transpireren,
verhoogde bloeddruk, angst, depressie of prikkelbaarheid, passagère
hallucinaties of illusies, hoofdpijn, slapeloosheid. O.i.v. een interactie van
biologische, psychische en omgevingsfactoren kan een alcoholonthoudingsdelirium optreden: gedaald bewustzijn,
desoriëntatie, geheugenstoornissen, wanen en, meest visuele, hallucinaties met
sterk onrustig en geagiteerd gedrag.
Ook kan een alcoholhallucinose
optreden, juist gekenmerkt door levendige akoestische hallucinaties bij helder
bewustzijn. De inhoud van de hallucinaties zijn voor de verslaafde vaak storend
en onaangenaam, soms zo bedreigend, dat door de verslaafde om bescherming wordt
verzocht, bijvoorbeeld bij de politie.
Alcohol en zwangerschap
Het gebruik van alcohol kan gevolgen hebben voor
de foetus. Zowel alcohol als acetaldehyde zijn beide toxisch voor het embryo en
hebben een effect op de functie van de placenta. Een combinatie van ernstige
afwijkingen kan ontstaan, welke tesamen het foetale alcohol syndroom (FAS) worden genoemd. Dit syndroom wordt
gekarakteriseerd door de volgende afwijkingen:
* pre- en postnatale groei retardatie
* microcefalie
* neurologische afwijkingen
* dysmorfie van het gelaat
* andere congenitale afwijkingen (extremiteiten,
hart en nieren).
Bij één kind zijn nooit alle verschijnselen
tegelijk aanwezig. Veel vaker wordt een kind gezien met verschijnselen die niet
voldoen aan definitie van FAS. In dat geval spreekt men van foetale alcohol effecten (FAE) waarvan
groeiretardatie de belangrijkste is. Behalve alcoholgebruik spelen vermoedelijk
ook andere factoren een rol, omdat slechts 2,5 - 10% van de alcoholische
moeders een kind baren met het volledige FAS. De FAS-kinderen zijn niet
verslaafd aan alcohol.
Het meest veilig lijkt om vrouwen die van plan
zijn een kind te krijgen of die zwanger zijn te adviseren om het alcoholgebruik
te beperken tot minder dan 1 eenheid/dag.
Alcohol en erfelijkheid
De laatste jaren zijn aanwijzingen gevonden voor een
genetische aanleg voor alcoholisme in zowel tweeling- en adoptieonderzoek als
bij mensen met een belaste alcoholische familiegeschiedenis die blijken anders
reageren op alcohol dan mensen met een niet-belaste familiegeschiedenis.
Diverse onderzoekers (43,44) toonden aan dat dat zonen van alcoholistische
vaders significant minder snel onder invloed raken van alcohol, dan zonen van
niet alcoholistische vaders. Mogelijk stoppen zij minder snel met drinken,
doordat ze de negatieve effecten van alcohol minder snel percipiëren.
Tevens is aangetoond dat ratten gekweekt op een
voorkeur voor alcohol meer GABA receptoren in de nucleus accumbens hebben dan
ratten die gekweekt zijn op afkeer van alcohol (45). Tenslotte blijken er
verschillen te bestaan tussen de cerebellaire GABA-a receptoren van alcohol-tolerante en niet alcohol tolerante ratten-families
(46). Zoals uit bovenstaande blijkt, bestaan er aanwijzingen voor een
genetische component, die in wisselwerking met omgevingsfactoren, een rol
speelt bij alcoholisme. Een bewijs, afkomstig uit genetisch onderzoek is echter
nog niet geleverd (47).
DE NEUROLEPTICA.
Hiertoe behoren diverse groepen stoffen die een
antipsychotische werking hebben. De belangrijksten zijn:
-phenothiazinen: Largactil, Melleril, Nozinan,
Phenergan, Anatensol, Terfluzine, etc.
-butyrophenonen: Haldol, etc.
-Rauwolfia-derivaten: reserpine, etc
-diphenylbutylpiperidines: Imap, Orap, Semap
-thioxanthenen: Sordinol, Fluanxol.
Van de meeste van deze stoffen is het exacte
werkings-mechanisme niet of onvolledig bekend. Ze lijken specifiek
dopamine-receptoren te blokkeren, maar moeten ook nog andere aangrijpingspunten
hebben.
Als gevolg van het blokkeren van
dopamine-receptoren in het nigro-striatale systeem hebben ze alle, zij het in
verschillende mate, bewegingsstoornissen lijkend op die welke optreden bij de
ziekte van Parkinson, als bijwerking. Meestal geeft men dan ook antiparkinsonmiddelen bij anti-psychotische
medicatie (bv. akineton).
Psychische afhankelijkheid treedt niet op,
lichamelijke evenmin.
SNUIFMIDDELEN.
Hiertoe behoren een reeks vluchtige stoffen als
tri, ether, en oplosmiddelen uit lijm. Het inademen ervan veroorzaakt
kortdurende roestoestanden die enigszins vergelijkbaar zijn met die van
alcohol, gekenmerkt door lallende spraak, evenwichtsstoornissen en ataxie.
De risico's zijn groot doordat bij intredende
bewusteloosheid het inademen b.v. uit een plastic zak kan voortgaan, met de
dood als gevolg. Verder is er gevaar van lever- en hersenbeschadiging
(Korsakow).
In het algemeen ziet men "glue sniffing"
alleen bij zeer jonge mensen (10-17 jaar). Het is echter wel gebleken, dat
wanneer veel aandacht aan het verschijnsel wordt gegeven dit tot epidemische
proporties kan leiden.
DE STIMULANTIA.
AMPHETAMINE.
Amphetamine (merknamen: benzedrine, dexedrine) en
het verwante methylamphetamine
(merknaam: pervitine), op straatniveau aangeduid als "speed", zijn stoffen die het sympathisch zenuwstelsel
stimuleren, door beinvloeding van de neurotransmitter noradrenaline. Daarnaast
worden ook het het dopamine- en het serotonine-systeem beinvloed. Hierbij
spelen twee mechanismen een rol: ten eerste wordt de prikkeloverdracht
versterkt door het stimuleren van de afscheiding van deze neurotransmitters,
ten tweede geschiedt dit door het blokkeren van de re-uptake van deze
neurotransmitters. Deze effecten worden samengevat als
"sympathicomimetische werking"; stoffen die deze effecten veroorzaken
noemt men sympathicomimetica. Ook de stoffen MDA en MDMA (XTC) hebben op grond
van hun structurele gelijkenis met amphetamine deze effecten, maar werken veel
zwakker.
De amphetamines werken zowel in het CZS als
perifeer: receptoren bevinden zich in hart en bloedvaten en in het gladde
spierweefsel.
Alle sympathicomimetica imiteren de effecten van
adrenaline en noradrenaline, stoffen die het lichaam in staat stellen tot
fysieke activiteit in stres-situaties: de vecht/vluchtreactie. Dit gebeurt
door: bloeddrukverhoging, stijging van
de hartfrequentie, bronchusverwijding, verwijding van de bloedvaten naar de
skeletspieren, pupilverwijding, ledigen van blaas en darmen ("in je broek
doen van angst") als perifere effecten en verhoging van de alertheid,
prikkelbaarheid, eetlustremming en een verhoogd zelfgevoel als belangrijkste
centrale effecten.
Amphetaminegebruik heeft dan ook tot gevolg dat honger en slaap verdwijnen,
een sterke bewegingsdrang optreedt, terwijl het verhoogde zelfgevoel ("ik
kan het") resulteert in verlies van zelfkritiek, terwijl het bij sommigen
kan leiden tot psychologische afhankelijkheid. Het kan leiden tot een paranoide
psychose. De gevoeligheid hiervoor is echter zeer individueel bepaald. Physieke
effecten zijn: diarrhee, hartkloppingen, duizeligheid.
Bij chronisch gebruik zien we sterke vermagering
en uitputting, verminderde weerstand tegen infecties, gezwollen en pijnlijke
testikels, tremoren, ataxie, hartrithme-stoornissen, spier en gewrichtspijnen.
Bij zware inspanning is plotselinge hartdood mogelijk: athleten onder
"doping". Bij een overdosis bij i.v.-gebruik treedt een hevige pijn in
de borst op, sterke bloeddrukstijging, bewusteloosheid. Vaak ook convulsies.
Dit kan niet zelden dodelijk verlopen.
De onthoudingsverschijnselen na chronisch
amphetamine-gebruik zijn eigenlijk gering: vooral het inhalen van het
slaaptekort staat op de voorgrond. Echte lichamelijke afhankelijkheid treedt
niet op, wel treedt na herhaald aaneengesloten gebruik (een zgn.
"speed-run") sterke uitputting en een depressief gevoel op, dat met
hernieuwd gebruik kan worden bestreden en zo een soort imitatie lichamelijke
afhankelijkheid creëert. Wel kan zich snel een grote tolerantie, leidend tot
dosisverhoging, optreden.
Het gebruik van amphetamine is in tegenstelling
tot dat van opium en cannabis van zeer recente datum. Amphetamine werd pas aan
het einde der dertiger jaren voor het eerst gesynthetiseerd. Het werd in de
Tweede wereldoorlog toegepast als stimulerend middel voor de soldaten: elke
soldaat kreeg benzedrine-tabletten in zijn ransel. Daarnaast werd het tot in de
zestiger jaren veelvuldig toegepast als vermageringsmiddel.
Het gebruik ervan was daardoor legaal: de dokter
was de belangrijkste leverancier. Door de stimulerende eigenschappen werd het
ook snel populair onder vrachtauto-chauffeurs die lange routes moesten rijden.
Ook de lange dagen, of liever nachten, die in de horeca-wereld gebruikelijk
waren en zijn leidden tot een grote populariteit van dit middel in die kringen.
Deze groepen, die de amphetamine uitsluitend "professioneel"
gebruikten konden het gebruik overigens vrijwel altijd uitstekend in de hand
houden.
In de zestiger jaren kwam het gebruik ervan in
zwang onder de arbeidersjeugd. Voor hen was het geen open jongerencentrum, al
dan niet met hashish, maar wel speed in de automatiek en sommigen van hen
slaagden er niet in het gebruik beperkt te houden. Ze werden de "speed
freaks", die dagen achtereen wakker bleven door amphetamine-gebruik,
zienderogen vermagerden dooor de eetlustremmende werking ervan en in vele
gevallen ook in meer of mindere mate paranoide werden.
Onder de gebruikers van Cannabis en LSD, de
hippy's was het gebruik van amphetamine niet populair: "speed kills"
en andere leuzen illustreerden dat. Hierdoor bleef het amphetamine-gebruik in
ons land toch beperkt. Dit in tegenstelling tot de Scandinavische landen en
Japan, waar deze stof uiterst populair werd, ondanks de illegaliteit ervan.
Vooral door het veelvuldig medische gebruik ervan
viel amphetamine aanvankelijk niet onder de opiumwetgeving, maar onder de wet
op de geneesmiddelenvoorziening, waardoor ongeautoriseerde handel slechts een
overtreding was en geen misdrijf. Op grond daarvan werd de productie van
amphetamine in Nederland in het algemeen niet sterk vervolgd en bestraft en dat
leidde ertoe dat een niet onbelangrijke illegale amphetamine productie
plaatsvond, met name voor de Scandinavische markt.
Internationaal werden de amphetamines pas onder
controle gebracht in het kader van het Weense Psychotrope stoffen verdrag van
1970. In Nederland werd het pas in 1976 onder de Opiumwet van 1976 gebracht,
hetgeen resulteerde in een aanzienlijke prijsstijging op de zwarte markt had:
van een kwartje per tablet (amphetamine) of een tientje per gram (pervitine)
steeg de prijs in niet meer dan een half jaar naar tegen de ¦ 100,= per gram.
Mede door de opkomst van cocaïne in de tachtiger
jaren, nam de belangstelling voor amphetamine af. Wel blijft Nederland een niet
onbelangrijke illegale producent ervan, nog steeds vooral ten behoeve van de
Scandinavische landen, hoewel Polen sedert enkele jaren een grote concurrent op
deze markt is geworden. De laatste jaren neemt de consumptie van amphetamine in
Europa weer sterk toe, niet in het minst in het kader van de
"danscultuur", al dan niet verkocht onder de naam XTC.
Een min of meer nieuwe vorm van gebruik is dat van
"ice", ofwel rookbare
("crystal") methylamphetamine. Het is volgens amerikaanse rapporten
methylamphetaminepoeder dat is omgevormd in één solide kristal van hoge
zuiverheid. De aard van het conversieproces is tot nu toe onbekend.
Er zijn twee standaardmanieren om
methylamphetamine te maken, waarvan er slechts één geschikt is om vervolgens
ice te produceren. De goede manier voor de ice-productie is op dit moment niet
de gangbare manier in de V.S., maar wel in het Verre Oosten (48).
Het gebruik vond haar oorsprong Z.O.Azie: Korea
(onder de naam "hiroppon"), Japan en de Philippijnen (in beide landen
"shabu") verscheen in Hawaï rond 1985, maar verbreidde zich vooral na
1988 snel in de V.S.: de westkust, Arizona, Florida en Washington DC. De drug
wordt geimporteerd door Philippijnse en Koreaanse gangs uit het verre oosten.
Het roken is een uiterst effectieve toedieningswijze, de effecten zijn zeer
hevig in vergelijking met orale of intraveneuze toediening. Chronisch gebruik
ervan kan leiden tot een acute psychose met auditoire hallucinaties en extreme paranoia, die i.t.t. de
cocaïnepsychose niet snel overgaat, maar weken kan aanhouden (49).
COCAINE.
Cocaïne is het werkzame alcaloide dat wordt
geextraheerd uit bladeren van
Erythroxylon coca (Lam.) die tussen de 0,5 en 1% cocaine bevatten.
Geschiedenis.
E. coca is afkomstig uit het hoge Andesgebied in
Zuid amerika waar de bladeren sinds mensenheugenis gekauwd worden.De Aymara
indianen uit Bolivia voor ze werden
veroverd door de Inca's in de tiende eeuw. Het woord coca is van Aymara oorsprong
en betekent 'plant'.
Onder de Inca's kreeg het gebruik religieuze
betekenis en werd gebruikt bij voorspellingen en bij religieuze riten, voorts
bij huwelijken, begrafenissen en de "haruaca", de initiatierite voor
jonge edellieden. Juist door deze religieuze betekenis was het gebruik onder de bevolking zeer beperkt. De Inca
elite controleerde de productie op de staats plantages en stonden het gebruik
uitsluitend toe bij riten en als speciale koninklijke gift.
Toen het Inca-rijk door de Spanjaarden werd veroverd
werd het gekauw van coca gelegaliseerd door een edict van Philips II voor de
gehele bevolking. De culturele normen die het gebruik regeerden vervielen en de
drug die honger bevredigd werd een voedselsubstituut. Een spaanse bestuurder
zei overigens: "If there were no coca there would be no Peru".
Fig.
14. Mamma Coca presenteert de
"Goddelijke Plant"
aan de Oude Wereld
Monardes beschreef de plant als eerste in 1580,
maar cocaine bleef lang tot Z.Amerika beperkt. De plant groeit niet in Europa
en de blaadjes verloren hun kracht door de lange zeereis. Pas in 1750 zond de
botanicus Joseph de Tussie de eerste planten naar Europa. Wel publiceerden
reizigers prijzende woorden over coca: de stimulerende effecten en haar
effectiviteit in het bestrijden van ademhalingsmoeilijkheden op grote
hoogte. Tussen 1844 en 1862 slaagden
Wohler
en Niemann erin cocaine te isoleren. Aschenbrant, een beierse militaire arts
gebruikte het het eerst medisch tegen asthenie en diarrhee in een alpien
regiment. Vervolgens publiceerde Mantegazza (50) ook over de fantastische
eigenschappen.
In die tijd werd het populair: "Vin
Mariani", wijn met 6 mg cocaine per ounce, in 1863 gepatenteerd door
Angelo Mariani werd medisch aangewend voor diverse kwalen, maar evenzeer niet
medisch (o.a. paus Leo XVIII, Koning
Willem III waren grote afnemers) en "Coca cola", gemaakt door
Pemberton in 1886 zijn daar voorbeelden van. Andere beroemde liefhebbers waren
o.a. Conan Doyle, Alexandre Dumas, Jules Verne, Thomas Edison en R.L.Stevenson
(hij schreef Jekyll & Hyde in drie dagen wschl. onder invloed van cocaine.
In 1878 begon W.H.Bentley cocaine in de V.S. aan
te prijzen als een geneesmiddel tegen opium, morfine en alcohol-verslaving. In
1884 publiceerde Freud zijn "Uber Koka" (51). Hij gebruikte het tegen
depressie en eveneens tegen morfine-verslaving. Een van zijn leerlingen Koller,
introduceerde het in hetzelfde jaar als locaal anaestheticum. Parke Davis
verkocht cocaine in sigaretten, zowel als in de vorm van een alcoholhoudende drank "Coca Cordial" en als
sprays, tabletten en als injectievloeistof.
De eerste tekenen van een tanend enthousiasme
begonnen tussen 1885 en 1890 te verschijnen: meer dan 400 rapporten over
chronische psychische en fysieke stoornissen verschenen in de medische
literatuur voor 1890. De meesten daarvan hadden betrekking op de effecten bij
personen die cocaine hadden gekregen als "geneesmiddel" tegen
morfine-verslaafden. Velen daarvan gingen morfine en cocaine samen gebruiken
waardoor ze steeds meer op een hoop gegooid werden, en ondanks hun volledig
verschillende werking object werden van bij de internationale pogingen tot
regulering (zie pag.*).
Het gebruik van cocaïne bleef, vooral gesnoven
(een innamevorm die in 1890 in zwang kwam) nog populair in de overlap tussen
high society en boheme en de lower middel class, maar verdween virtueel uit de
V.S. in samenhang met het verdwijnen van de opium-bevattende patent
geneesmiddelen o.i.v. de Pure Food and Drug act 1904 en de Harrison Narcotic
Act 1914. Uit de Coca cola al in 1903 (52,53).
In 1923 werd cocaine voor het eerst
gesynthetiseerd door Willstätter.
De introductie van procaine (novocaine),
gepatenteerd in 1906, deed het medische gebruik als locaal anaestheticum ook
teruglopen. In Europa liep het niet zo'n vaart, tot WO I bleef het legaal, maar
medisch (en hoe). Na W.O. I werd het illegaal, maar het medisch gebruik bleef
hoog, tot de amphetamines het einde dertiger jaar vervingen. Pas in de
zeventiger jaren dook het weer op, zij het in beperkte kring. De omvang van het
gebruik nam echter geleidelijk toe en kwam in de eerste helft der tachtiger
jaren in een stroom-versnelling, die deels het gevolg was van de repressie van
amphetamine, maar vooral door interventie van de CIA in de Columbiaanse cocaine
export (54).
Terwijl het gebruik van heroïne in hoofdzaak
plaatsvindt in de kenmerkende junkie-scene, is het gebruik van cocaïne ook ver
daarbuiten verspreid. Terwijl het aanvankelijk de drug of choice van de
trendgroepen (reclame, mode, jet set) was, namen mensen uit andere sociale
lagen het gebruik over.
Het meest opvallende daarbij is de relatief ruime
verspreiding van het cocaïne-gebruik onder niet-devianten: personen die verder
een normaal leven leiden en zich niet onderscheiden van hun buren. Ook het
aantal mensen die zich met specifieke cocaïne-problemen wenden tot de
hulpverlening blijft uiterst beperkt.
Pas in de tachtiger jaren kwam het gebruik ook
onder de junkies in zwang en verving toen grotendeels het gebruik van
amphetamine. In de tachtiger jaren komt in de V.S. een nieuwe toedieningswijze
op gang: roken door freebasen of door crack. Helemaal nieuw was dit echter niet
rond de eeuwwisseling werden cocaine sigaren en sigaretten zoals we reeds zagen
medicinaal gebruikt.
In Z.Amerika wordt in een andere vorm cocaïne gebruikt: het eerste extractieproduct, vervaardigd door
zwavelzuur en kerosine toe te voegen aan de gemacereerde coca-bladeren en dit
mengsel na extractie te neutraliseren met loog en te drogen. Dit is de coca-pasta, die in Z.Amerika basuko wordt
genoemd. Het cocaïnegehalte loopt op tot 90%. De pasta wordt gerookt (55).
Effecten.
Cocaine is werkzaam doordat het de werking van de
neuro-transmitters noradrenaline en dopamine verlengt en versterkt, door het
blokkeren van de reuptake. Het effect is daardoor vergelijkbaar met dat van
amphetamine, zij het dat de perifere effecten geringer zijn, het geen
tolerantie veroorzaakt en een veel kortere werkingsduur (max. een uur) heeft.
Cocaïne geeft geen lichamelijke afhankelijkheid. Wel treedt kan bij personen
met een laag zelfgevoel een sterke psychische afhankelijkheid ontwikkelen, die
zich vooral uit in een toename van de gebruiksfrequentie.
Hoewel cocaïne veelvuldig als sterk verslavend
wordt gekenschetst, wijst de praktijk uit dat velen cocaïne kunnen gebruiken
zonder ernstige sociale uitvalsverschijnselen. Naast systematisch onderzoek
(56,57,58) zijn er talloze anecdotische beschrijvingen te vinden waaruit blijkt
dat cocaïne-gebruik niet tot problemen hoeft te leiden (59).
Cocaïne blokkeert ook de reuptake van serotonine,
waardoor het het dopamine effect tegenwerkt. Cocaethyleen, dat in de lever
wordt gevormd wanneer alcohol en cocaine gezamelijk worden gebruikt (wat vaak
het geval is) heeft geen invloed op de serotonine, waardoor het een sterker
cocaïne effect geeft (60).
Cocaïne-verslaving wordt wel behandeld met
desipramine, een anti-depressivum, 2,5 mg/kg. De dosis moet verlaagd worden als
tevens methadon wordt gegeven, i.v.m. de verminderde afbraak door hydroxylering
(61).
Crack.
De chemische vorm waarin cocaïne in de
straathandel verkrijgbaar is, is die van het zoutzure zout: cocaïne-HCl. Deze
vorm is zeer stabiel (smeltpunt 195°C) maar
ontleedt bij verhitting in afbraakproducten die geen pharmacologische effecten
hebben. Het gevolg hiervan is dat deze vorm van cocaïne niet gerookt kan
worden. Om cocaïne in een rookbare vorm om te zetten moet het verhit worden met
een base. Hiervoor gebruikt men hetzij NaHCO3, beter bekend als
bakpoeder of maagzout, hetzij ammonia (NH4OH). De volgende reactie
treedt dan op:
Cocaïne-H-CL + NaHCO3 --- CO2 + NaCl +
Cocaïne-H-OH
In huis-tuin-en-keukentaal: er komt koolzuur vrij
en er wordt keukenzout gevormd. Wanneer ammonia wordt gebruikt vormt zich NH4Cl
(salmiak). De resterende O en H atomen verbinden zich met de cocaïne-H-, tot
cocaïne-H-OH. Dit is cocaïne in de base-vorm. Daar komt ook de term
"free-basen" vandaan. Het mengsel wordt aangeduid als crack omdat het bakpoeder residu dat
overblijft een krakend geluid maakt bij de verhitting. Deze vorm van cocaïne
heeft een smeltpunt van 98°C, waardoor het rookbaar is.
Aangezien het effect van een stof veelal meer
afhankelijk is van de snelheid waarmede de concentratie ervan in het lichaam
stijgt, dan van de hoogte van de concentratie, heeft roken meer effect. Immers
bij snuiven moet de stof eerst door een vrij dik slijmvlies van de neus
dringen, vervolgens met het bloed naar het hart getransporteerd worden, van het
hart door de longen weer terugkeren naar het hart om dan pas naar de hersenen
te worden vervoerd, waarbij een aanzienlijke verdunning optreedt. Bij roken
dringt de cocaïne snel door het flinterdunne longweefsel, dat gebouwd is voor
doorlating van gassen, en gaat vandaar via het hart meteen naar de hersenen,
zodat daar een veel snellere stijging van de cocaïne-concentratie plaatsheeft,
dan bij snuiven het geval is. De verheviging van het effect die hiervan het
gevolg is, lijkt bijna kwalitatief verschillend van het effect van cocaïne
snuiven, maar is in feite alleen kwantitatief sterker.
In de V.S. waar de kwaliteit van de straatcocaïne
laag is door veel versnijdingen en de prijs hoog, loont het extra om op deze
wijze cocaïne te gebruiken. De combinatie cocaïne-bakpoeder wordt daar kant en
klaar onder de naam "crack" op de markt gebracht. In ons land waar de
cocaïne goed en goedkoop is loont dit veel minder en wordt crack niet kant en
klaar op de markt gebracht. Wel wordt op individueel niveau crack bereid en
gebruikt, doch dit leidt i.h.a. niet tot problemen.
Voor de duidelijkheid: onderzoek van bloed, urine
etc. toont cocaïne aan indien aanwezig, maar zegt niets over de wijze waarop
dit is toegediend.
Cocaine free base is reeds sedert de 70tiger jaren
in de VS beschikbaar, maar crack deed pas in 1985 in Los Angeles en New York
haar intrede. In Engeland werd crack voor het eerst gesignaleerd in 1987.
Hoewel crack in de amerikaanse drug-hysterie wordt
afgeschilderd als "instant-verslavend" wijst onderzoek daar niet op
(62,63).
Cocaine en zwangerschap.
Sinds de eerste meldingen (64,65) van mogelijke
negatieve invloeden van maternaal cocainegebruik op de foetus en het
zwangerschaps verloop is een indrukwekkende publicatie-stroom op gang gekomen
van vrijwel uitsluitend van amerikaanse origine over het verloop van de
zwangerschap en de neonati. Veel daarvan was afkomstig van Chasnoff (66 t/m
72), die hoofd was van een speciaal programma voor verslaafde vrouwen in
Chicago en zijn gegevens dus baseerde op een zeer selecte onderzoeksgroep. Hij
schreef alle mogelijke zwangerschaps-problemen toe aan maternaal
cocainegebruik. De meeste ervan waren echter suggestieve case-histories, het
type publicaties die wel een hoop aandacht trekken, maar wetenschappelijk van
weinig waarde zijn . In een groot aantal andere studies wordt geen onderscheid
gemaakt tussen cocaine-gebruik en het gebruik van andere drugs en\of ontbreken
controle groepen. Het vigerende idee "cocaine -"crack" is de
duivelsdrug leidt tot een vooringenomenheid op alle niveau's zoals duidelijk is
aangetoond door Koren (73). Recentelijke studies (74,75) reduceerden de gesuggereerde
negatieve effecten tot foetale groeiremming, die wellicht niet eens is toe te
schrijven aan cocaine maar aan de levensstijl en sociale omstandigheden van de
vrouwen die werden bestudeerd. Dit moge overigens dienen als waarschuwing om
uiterst voorzichtig te zijn bij het beoordelen van de bestaande literatuur over
negatieve effecten van illegale drugs.
KAVA.
Kava is een drank welke bereid wordt uit de
wortels van Piper methysticum en
genuttigd wordt op de Stille Oceaan-eilanden en sedert 1981 ook in Arnhemland
(Australië). Het is een mild stimulerend, euphorie gevend en pas in hogere
dosering spierverslappend en uiteindelijk slaapverwekkend middel (76):
"At the beginning conversation comes in a
gentle, easy flow and hearing and sight are honed, becoming able to perceive
subtle shades of sound and vision. Kava soothes temperaments. The drinker never
becomes angry, unpleasant, quarrelsome or noisy, as happens with alcohol....
When consumption is excessive, however, the limbs become tired, the muscles
seem no longer to respond to the orders and control of the mind, walking
becomes slow and unsteady and the drinker looks partly inebriated. He feels the
need to lie down. The eyes see the objects present but cannot or donot want to identify them accurately.
The ears also perceive sounds without being able or wanting to realise what
they hear. ..... The drinker is prey to
exhaustion and feels the need for sleep more than any other sensation. He is
overcome by somnolence and finally drifts off to sleep" (77).
KHAT.
In Yemen, Ethiopie en Somalie worden de verse
bladeren van Catha edulis gekauwd.
Deze bladeren bevatten cathine of
d-nor-pseudoephedrine, dat licht stimuleert, verheldert, euforiseert en de
honger onderdrukt.
Het gebruik van khat is speciaal in de beide
Yemens tot een belangrijk dagelijks ritueel geworden. Ongeveer twintig minuten
na de aanvang van het kauwen begint de eerste fase: een toenemend concentratievermogen
en een verhoogd vermogen om naar anderen te luisteren nopen tot een gesprek.
Langzaam aan stokken de gesprekken dan en een vredige harmonieuze rust daalt
neer wanneer de tweede fase begint. Men zingt of luistert naar muziek en is in
zichzelf teruggetrokken, doordrongen van een gevoel van kracht en inzicht.
Langzamerhand treedt dan de derde depressieve fase
in. Voordat de deelnemers zich naar hun huizen spoeden, wordt deze depressieve
stemming door middel van het gezamenlijk koffie drinken bestreden. Na de
terugkeer in de realiteit wordt het bij iedere aanwezige optredende gevoel van
onzekerheid door de solidariteit van de groep en de stimulerende invloed van
de koffie weggenomen (78,79)
Met de influx van met name Somalische
vluchtelingen is khat ook tot west Europa doorgedrongen, al blijft het gebruik
tot deze groep beperkt.
CAFFEINE.
Caffeine is veruit het meest verbreide
stimulerende middel, waarvan de werkzaamheid bovendien sterk onderschat wordt.
Het heeft haar stimulerende werking doordat het het enzym phosphodiesterase
remt. Dit enzym breekt cyclisch AMP af, dat de second messenger is voor een
aantal neuro-transmissiesystemen, waaronder dat van noradrenaline.
DE ANTIDEPRESSIVA.
De antidepressiva kunnen in twee groepen worden
verdeeld:
I. de MAO-remmers, meestal hydrazine
derivaten. Deze stoffen remmen de werking van het enzym Mono-Amine-Oxydase, dat noradrenaline, adrenaline en serotonine
afbreekt, waardoor de werking van deze neurotransmitters versterkt wordt. De
eerst bekende MAO-remmer was iproniazide,
een INH-derivaat, dat in 1950 gesynthetiseerd werd als tuberculostaticum. In 1952
werd vastgesteld dat deze stof MAO-remt en al in 1953 werd het
stemmingsverhogende effect bij tbc-patienten ontdekt. In 1957 werden positieve
effecten ervan bij depressieve patiënten beschreven. In de zestiger jaren
werden een reeks vergelijkbare stoffen gesynthetiseerd. De toepassing van de
MAO-remmers is beperkt gebleven wegens de bijwerkingen (80).
II. de re-uptake blokkeerders en de release
versterkers, die daardoor de activiteit van dopamine, noradrenaline en
serotonine verhogen. De bekendste antidepressiva behorend tot de laatste groep,
zijn de z.g.n. tricyclische: amitriptyline,nortriptyline, imipramine, etc. Ze hebben hun antidepressieve werking doordat ze
vooral de serotonine afscheiding door serotonerge neuronen verhogen. Op
hetzelfde mechanisme berust de werking van de tetracyclische, zoals mianserine.
Recentelijk zijn ook stoffen ontwikkeld die de
re-uptake van serotonine remmmen: zoals fluoxetine
(Prozac). Vanwege dit effect zou deze stof in Italië incidenteel als
"illegale" drug op de markt zijn gekomen onder de naam "bye bye blues" (81).
NICOTINE.
Het alcaloide uit de tabaksplant, Nicotiniana tabacum, ontleent haar
stimulerende werking deels aan haar stimulerende effect op acetylcholinerge
receptoren in het CZS, waarvan een aantal zitten op de zenuwuiteinden van het
mesolimbische dopaminerge systeem, waardoor de afgifte van dopamine in dit
systeem wordt gestimuleerd (82).
DE
HALLUCINOGENEN.
Inleiding.
Van alle psychotrope stoffen zijn de
hallucinogenen zonder twijfel de meest interessante. Hoewel vele stoffen
wanneer ze in voldoende hoge vaak toxische dosering worden toegediend illusies,
hallucinaties en andere psychologische effecten, die bij oppervlakkige
waarneming niet verschillen van wat we zien bij psychotische patienten, veroorzaken
deze stoffen ook sterke lichamelijke effecten. De echte hallucinogenen echter
oefenen een sterke invloed uit op de menselijke psyche zonder significante
fysieke effecten te hebben. Stoffen
"die in spezifischer Weise Veränderungen in der Wahrnehmung und im Erleben
der äußeren und inneren Welt bewirken, die sich bei höheren Dosierung zu
Halluzinationen steigern können, bei voll erhaltenem Bewußtsein und
Erinnerungsvermögen und ohne Störungen der Vegetativen Functionen. Die
Halluzinogene bringen uns in eine Art Traumwelten, die man aber voll bewußt
erlebt" zo definieerde Hofmann (83) definieerde de hallucinogenen. Het is
pas sedert diens ontdekking van LSD dat de wetenschap zich echt voor deze
stoffen ging interesseren. Inmiddels is duidelijk dat vele chemisch
verschillende groepen stoffen, vele al sedert eeuwen door mensen gebruikt,
hallucinogene eigenschappen hebben:
a.de dibenzopyranen,
waarvan de werkzame stof van Cannabis, tetrahydrocannabinol, de bekendste
vertegenwoordiger is;
b.de indolamines,
stoffen afgeleid van tryptamine zoals de alkyl-derivaten dimethyltryptamine
(DMT) en diethyltryptamine (DET) en de
hydroxy-derivaten als psilocybine en lysergzuurdiethylamine (LSD);
c.de ß-carbolines:
harmaline, harmine enz.;
d.de ß-phenethylamines,
stoffen zoals mescaline, dimethoxymethylamfetamine (DOM, ook wel bekend onder
de naam STP) en DMA, maar ook MDMA (XTC), alle afgeleid van amphetamine;
e.de isoxazolen,
waarvan de werkzame stof uit de vliegenzwam, muscimol de bekendste
vertegenwoordiger is;
f.de tropanen,
de werkzame stoffen uit de nachtschades: atropine, hyoscyamine, scopolamine en
vele anderen.
g. de arylcyclohexylamines,
zoals PCP.
Duidelijk is dat de hallucinogene moleculen sterk
van elkaar verschillen, waarbij men zich dient te realiseren dat de effecten
ervan niet alleen van verschillende aard zijn (visuele hallucinaties alleen al
kunnen variëren van vluchtige beelden, die slechts met gesloten ogen gezien
worden en verdwijnen als men de ogen opent tot dwingende en persistente illusies die met open ogen
worden waargenomen) maar ook sterk worden beinvloed door persoonlijke en
contextuele variabelen (1).
CANNABIS
Geschiedenis.
De hennepplant, Cannabis sativa, wordt al 12.000
jaar gebruikt als bron van vezels voor kleding en touw. De eerste bron inzake
het gebruik als drug is de Pen Ts'ao, een Chinees standaardwerk over
geneeskruiden dat dateert uit de 1ste eeuw v.Chr., en wat verwijst naar de
legendarische keizer Shen-Hung uit het vierde millennium voor Chr. die cannabis
reeds als medicijn aanprees. In West Europa was het tot de laatste
eeuwwisseling een belangrijk bestanddeel van geneesmiddelen voor een reeks van
kwalen. In het kader van de prohibitie werd het in de decennia daarna zoals wij
zagen tot een verboden drug, niet in het minst door de acties van Anslinger, de
chef van de brodeloze alcoholprohibitiefunctionarissen die met zijn propaganda
films als "Reefer madness" het beeld creeerde va een drug die engelen
in duivels kon veranderen.
Cannabis kreeg als illegale drug bekendheid
intrede in onze samenleving aan het begin der zestiger jaren. Het gebruik ervan
bleef aanvankelijk bewperkt tot een vrij kleine groep jongeren (studenten,
kunstenaars), maar groeide vooral in de tweede helft der zestiger jaren zeer
snel: rond 1970 was het gebruik ervan het symbool bij uitstek geworden van de
"hippy's". Terwijl de
Cannabishandel aan het einde der zestiger jaren grotendeels in handen was van
een groot aantal kleine importeurs en de schakels tussen de importeurs en de
consumenten gering in aantal waren (vaak was de importeur ook de detaillist)
veranderde dit snel onder invloed van de prohibitie. Narmate het aantal
consumenten groeide criminaliseerde de groothandel zich. Het gebruik heeft
zich, na een snelle groei, in de eerste helft van de zeventiger jaren
gestabiliseerd, hoewel er de laatste jaren zowel in Europa als in de V.S. weer
een stijging voordoet.
Nederland heeft zich een belangrijke plaats als
transit-land, verworven, niet zozeer vanwege de relatief lage bestraffing van
grensoverschrijdende Cannabis-handel, maar meer omdat Nederland een der
belangrijkste overslaglanden is in Europa en overslag van illegale goederen
doorgaans gekoppeld is aan overslag van legale goederen.
Pharmacologie.
De Cannabisplant bevat meer dan 60 verschillende
cannabi-noiden, waarvan tetrahydrocannabinol (THC) de meest actieve is.
Cannabinol (CBN) is ongeveer 1/10de zo werkzaam als THC. In de plant heeft het
THC de vorm van het onwerkzame THC-zuur, dat door verhitting totaal wordt
omgezet in THC. Cannabis komt voor in twee vormen: de gedroogde toppen der
vrouwelijke plant (marihuana) en de
verzamelde hars van de bloemen en bovenste bladeren (hashish). Het THC gehalte in marihuana schommelt tussen 5 en 15%.
Hashish is wat sterker.
De werkzame dosis ligt tussen 2-22 mg wanneer
gerookt wordt, en 20-90 mg wanneer het oraal genomen wordt. Bij normaal roken
wordt 16-19% van de in de joint aanwezige THC in de rook opgenomen, de rest
wordt gepyrolyseerd. De lethale dosis is niet bekend. Op grond van dierproeven
wordt de verhouding tussen de lethale en de effectieve dosis geschat op
4000-40.000. Ter vergelijking: voor alcohol 4-10.
Wanneer THC in de bloedbaan komt wort het snel
opgenomen in het vetweefsel (halfwaardetijd 30 min.), waaruit het vervolgens
weer langzaam in de bloedbaan terugkeert, gemetaboliseerd wordt en
uitgescheiden in urine en faeces (halfwaardetijd: enkele dagen!). Bij herhaald
gebruik treedt accumulatie op in vet en lever, niet in het brein! Hierdoor
kunnen THC-metabolieten nog weken na het gebruik worden aangetroffen in de
urine.
De acute effecten bij roken beginnen binnen
minuten, de plasmaconcentratie bereikt een piek na 7-10 minuten, het
piek-effect treedt pas na 20-30 minuten op. De werkingsduur is 2-3 uur. Bij
orale toediening (space cake) treedt het effect pas na 1-2 uur op en duurt 5-12
uur.
Werkingsmechanisme.
Het is lang volledig onduidelijk geweest wat het
werkingsmechanisme van THC is. Pas in 1990 werd de specifieke receptor voor THC
gevonden en de isolatie van de bijbehorende transmitterstof, anandamide, volgde
in 1992. De receptoren lagen in de hippocampus (vandaar de THC effecten op het
geheugen), in de amygdala (vandaar het weinig agressieve gedrag van de tevreden
roker?) en in de cortex (oorzaak van de
vrijere associaties?).
THC heeft een potentierende werking op het
dopaminerge mesocorticale reward systeem, doordat er presynaptische THC
receptoren op de peptiderge axo-axonische synaptische verbinding met de
dopaminerge neuronen (die op zich weer peptiderge neuronen stimuleren) in de
nucleus accumbens zitten (84).
Afhankelijkheid en tolerantie.
Lichamelijke afhankelijkheid komt niet voor,
zelden psychische afhankelijkheid, aanvankelijk treedt omgekeerde tolerantie
op, later kan zich bij chronisch gebruik een lichte tolerantie ontwikkelen. In
sommige gevallen kan psychologische afhankelijkheid optreden.
Acute effecten.
Deze zijn: euphorie, veranderde tijdsperceptie en
een stoornis van het korte termijngeheugen (inprentingsstoornis), verminderde
agressie. Een verhoogde gevoeligheid voor geluid (muziek) en een vrijer
associatievermogen worden subjectief ervaren. Soms neemt de eetlust sterk toe.
Somatisch: tachycardie, een toename van de bloeddruk bij liggende houding, maar
daling bij staande houding; versterkte doorbloeding van de conjunctivae. verhoging van de cerebrale
doorbloeding, met name in de frontale gebieden (85). Er is een toename van a-golven waarneembaar op het EEG. De REM slaap neemt af.
Bij hoge doseringen kunnen hallucinaties, wanen en
paranoide gevoelens optreden, leidend tot het beeld van een toxische psychose.
De rijvaardigheid wordt weliswaar negatief
beinvloed, doch daar de negatieve effecten worden overchat, wordt dit deels
gecompenseerd door voorzichtiger gedrag, i.t.t. de invloed van alcohol waarbij
de effecten worden onderschat (86).
In toenemende mate wordt gepleit voor medische
toepassing van herbale marihuana. Zuivere THC wordt reed onder de merknaam
Marinol toegepast bij glaucoom, tegen misselijkheid t.g.v. cytostatica als
eetlustopwekker.
Cannabis en alcohol kunnen in combinatie tot een
voorbijgaande collaps en braken leiden.
Chronische effecten.
Er zijn in de loop der jaren een grote reeks
claims gelegd over schadelijke gevolgen van Cannabis-gebruik.
Cannabis gebruik zou leiden tot psychopathologie,
het zou leiden tot antisociaal en crimineel gedrag, psychosen, gebruik van
zwaardere drugs op pharmacologische gronden (de stepping stone theorie) en het
"amotivationele syndroom".
Deze claims kunnen door epidemiologisch onderzoek
niet worden bevestigd omdat een eventueel gevonden samenhang niet een causaal
verband betekent. Een samenhang kan ook het gevolg zijn van gemeenschappelijke
onderliggende factoren. Dit wordt het best geillustreerd door een onderzoek
waarbij 101 kinder van hun 3de tot hun 18de jaar gevolgd werden. Ophun 18de
bleken deze kinderen op grond van hun druggebruik te kunnen worden verdeeld in
onthouders, experimenteerders en frequente gebruikers. De verschillen bleken te
kunnen worden teruggevoerd op verschillen optredend in de eerste levensjaren en
gerelateerd te zijn aan de ouder/kind relatie. De experimenteerders bleken
overigens het meest evenwichtig, hetgeen dus ook niet betekent dat
experimenteren met drugs evenwichtigheid bevordert! Ook het amotivationele
syndroom wordt door deze studie niet gerelateerd aan Cannabisgebruik maar aan
de vroege kinderjaren (87). De algemene consensus is dat Cannabis gewelddadig
en aggressief gedrag remt, behalve misschien bij een enkel instabiel persoon.
Op dezelfde wijze is er geen aanwijzing dat Cannabis gebruik leidt tot
chronische psychosen. Ook de stepping stone theorie dient te worden verworpen,
weliswaar zijn veel heroine-gebruikers met cannabisgebruik begonnen, maar
slechts zeer weinig cannabisgebruikers gaan over op deze zwaardere drug. Als er
een voorwaarde is voor cannabisgebruik is het tabaksgebruik! Niet-rokers zullen
slechts zeer zelden Cannabis gaan gebruiken. Voor een uitgebreid
literatuuroverzicht zie: 88, 89 en 90.
De inprentingsstoornis als acuut gevolg van
Cannabisgebruik leidt tot de vraag of chronisch gebruik tot vergelijkbare
persistente effecten leidt, doch de literatuur geeft hierop geen duidelijk antwoord,
ook al omdat geen prospectieve studies zijn verricht.
Op lichamelijk terrein zijn er geen aanwijzingen
voor neurotoxiciteit, verstoorde cerebrale circulatie, cerebrale atrofie of
verminderde cerebrale functie (91,92,93).
Hoewel de aanwezigheid van THC-receptoren op
leucocyten een immunosuppressief effect suggereert is een synthetisch
THC-derivaat dronabinol goedgekeurd
als medicament tegen AIDS-anorexia en ontbreekt klinische bevestiging.
Waarschijnlijk zijn de chronische effecten op de
longen het meest uitgesproken. Chronisch cannabis roken veroorzaakt potentieel
bronchitis, emphyseem, en longkanker. Cannabis bevat grotere hoeveelheden
carcinogene stoffen dan tabak, maar dit wordt gecompenseerd door de veel
geringere hoeveelheid cannabis die wordt gerookt dan van tabak.
Hoewel een verlaging van het testosteron-, FSH-,
LH- en prolactine-gehalte in enkele studies is waargenomen (94) bleken deze
waarnemingen geen stand te houden (95). Herhaaldelijk zijn negatieve effecten op het sperma gerapporteerd, die
ondersteund werden door de aanwezigheid van (spaarzame) THC-receptoren in de
testikels. Het is mogelijk dat THC de foetale groei remt (96), doch deze werden
in een prospectieve studie niet bevestigd (97,98). Op 1, 2 en driejarige
leeftijd werden bij prenataal aan THC blootgestelde kinderen geen afwijkingen
gevonden, hoewel ze als neonati meer tremoren vertoonden. Pas op vierjarige
leeftijd werden zeer subtiele verschillen gevonden, die volgens de auteurs ook
het gevolg kunnen zijn van slecht dieet tijdens de zwangerschap of de
postnatale moeder/kind verhouding (99).
LYSERGZUUR DIETHYL AMIDE (LSD).
Geschiedenis.
LSD is de bekendste representant der indolamiden.
Het werd in 1938 voor het eerst gesynthetiseerd door Albert Hoffman, een
chemicus in dienst van het toen nog kleine bedrijf Sandoz,uit de moederkoorn
(Claviceps purpurea), een schimmel welke op rogge groeit. Op 16 april 1943
synthetiseerde hij het opnieuw en moet er toen ongemerkt iets van binnen
gekregen hebben. Kort daarna "was ik gedwongen mijn werk in het laboratorium midden in de
middag te stoppen en naar huis te gaan, aangezien ik werd bevangen door een
bijzondere rusteloosheid gepaard gaande aan een gevoel van lichte duizeligheid.
Eenmaal thuisgekomen ging ik liggen en verzonk in een soort dronkenschap die
niet onaangenaam was en werd gekenmerkt door een extreme activiteit van
verbeelding. Terwijl ik in een wazige toestand met gesloten ogen lag, ervoer
ik daglicht als bijzonder helder. Een ononderbroken stroom van fantastische
beelden van buitengewone plasticiteit en levendigheid vergezeld van een
intens kaleidoscoop-achtig kleurenspel, rees in me op. Deze toestand eindigde
na ongeveer drie uur." Aldus Hoffman's rapportage dit incident (100), de
eerste beschrijving van een lsd-trip. Hoewel Hofmann zich niet kon voorstellen
hoe hij deze stof had binnengekregen, besloot hij de proef op som te nemen en
drie dagen later nam hij de kleinste hoeveelheid LSD in waarvan hij kon
verwachten dat het nog enig effect kon hebben: een kwart milligram. Het effect
was overdonderend! Hoewel hij begon met het maken van aantekeningen over de
effecten, was hij na 40 minuten niet meer in staat iets op te schrijven, vroeg
een assistent met hem naar huis te fietsen. Thuis werd een dokter geroepen, die
echter weinig bijzonders kon constateren, althans in lichamelijke zin.
Psychisch echter waren de gevolgen indrukwekkend: grote visuele vertekeningen:
gezichten werden groteske maskers, duizeligheid, motorische onrust afgewisseld
met het gevoel alsof zijn ledematen van lood waren, soms een onvermogen tot
coherent spreken en dat alles door het innemen van een minieme hoeveelheid LSD.
Dat een stof die in minieme hoeveelheden toegediend, iets onstoffelijks, het
bewustzijn, kon beinvloeden.
Aanvankelijk dacht men dat LSD een soort
kunstmatige psychose veroorzaakte, later gebruikte men het als hulpmiddel bij
psychotherapie en toen nog later de hippies het massaal gingen gebruiken,
veroorzaakte deze drug een schokgolf in de V.S., die door de hele wereld deinde.
Alle zekerheden, de American Dream werden ruw verstoord door een stof die alle
zekerheden op zijn kop zette (101).
Het lijkt alsof het LSD-gebruik na de hippie-golf
is "uitgestorven", doch dit is nooit het geval geweest. De cultuur
voorkwam problemen. LSD-gebruik heeft veelal een incidenteel karakter:
gedurende enige jaren gebruiken mensen enkele malen per jaar LSD, tot ze er op
uitgekeken zijn. Verslaving komt niet voor. Productie en handel in LSD speelt
zich hierdoor en door de daarmede samenhangende lage prijs en minimale winst
niet af in criminele milieu's. Het is slechts crimineel naar de letter der wet.
Recentelijk zien we weer een lichte toename van
het gebruik van LSD, waarschijnlijk onder invloed van de "revival of the
sixties".
Werkingsmechanisme.
LSD heeft een agonistische werking op
presynaptische serotonine receptoren in
de middenhersenen. Voorts remt het de activiteit van raphe neuronen, die zelf
de gevoeligheid voor visuele en andere sensibele input remmen.
Deze werking berust evenals die van andere
indolamines op de structurele gelijkenis met serotonine (102,103,104).
Afhankelijkheid en tolerantie.
Noch lichamelijke, noch geestelijke
afhankelijkheid is beschreven. Tolerantie voor LSD ontwikkelt zich zo
razendsnel dat een enorme dosisstijging nodig is om de effecten te handhaven
bij op korte termijn herhaald gebruik, praktisch resulterend in een refractaire
periode tot 2 dagen na gebruik.
De gebruikelijke dosering is 30-150 microgram;
i.h.a. 1 microgram/kg; de werkingsduur circa 8 uur.
Effecten.
LSD is een sterk hallucinogeen met zeer licht
sympathicomimetische effecten. Het effect is sterk afhankelijk van de
psychische toestand van persoon. Een lichte bloeddrukstijging en tachycardie
zijn meestal waarneembaar. Lichte spierzwakte. Verdere somatische effecten zijn
lichte pupildilatatie, tremor, soms misselijkheid, hyperreflexie, piloerectie,
en een lichte stijging van de lichaams-temperatuur (105). De levendige
hallucinaties zijn vooral visueel van aard. Daarnaast treedt een versterking
van bestaande en eventueel opgeroepen emoties op. Het gebruik ervan kan leiden
tot in het algemeen reversibele (rand)psychotische toestanden (flippen, bad
trips), die doorgaans verdwijnen als de stof is uitgewerkt. De gevoeligheid
voor bad trips is niet noodzakelijkerwijze dosisafhankelijk, maar is vooral
afhankelijk van set en setting: de persoonlijkheid van de gebruiker en diens
stemming en de omgeving waarin de trip wordt gemaakt (106).
Dat bij pre-existente psychiatrische problematiek
deze kan luxeren (107) blijkt uit een studie van 5000 personen die tenminste 25
maal LSD genomen hadden. Bij gezonde normale personen traden 8 psychotische
episodes per 10.000 innames op, bij psychiatrische patienten 18 psychotische
episodes per 10.000 innames, voorts 12 pogingen tot en 4 geslaagde suicides per
10.000 innames.
In het Amsterdamse Vondelpark waar in de Summer of
Love in 1972 ruim 4000 personen regelmatig tripten, resulteerde dat in 112
hulpvragen: 8 informatie voor de trip, 4x werd om tranquillizers gevraagd, 4x
werd agressief gedrag vertoond,
dat overigens moeiteloos gekalmeerd werd, 92x werd
gekalmeerd zonder medicatie.Slechts 4x was sprake van langer durende psychosen
(alle bij personen met een zwaar belaste psychiatrische anamnese) (108).
Bij negatieve effecten treedt angst op de
voorgrond, maar die keert zich tegen de persoon zelf. Echt agressief gedrag is
uiterst zeldzaam: meestal is slechts sprake van opwindingstoestanden (109,110).
Voor de zgn. flash backs zijn geen bevredigende
verklaringen gevonden, als het fenomeen al in werkelijkheid bestaat.
Gelijktijdig gebruik van alcohol wordt in de scene
overigens ontraden.
Chronische effecten.
Ook aan LSD-gebruik zijn zeer veel negatieve
effecten toegeschreven, die vervolgens niet bewezen konden worden. Met name zijn
chromosoom-beschadigingen waargenomen, met daarbij de suggestie van
teratogeniciteit. Deze "beschadigingen" bleken echter van onschuldige
aard (111).
OVERIGE INDOLAMINES.
Psilocybine en psilocine
zijn de werkzame alcoloiden uit diverse soorten paddestoelen, met name
Psilocybe mexicana, terwijl ook in Europa soorten voorkomen welke deze stof
bevatten. Psilocybe's worden gebruikt door Mexicaanse curandero's (genezers).
Ook in Europa verschenen reeds in de zeventiger jaren
psilocybine-"paddestoeltjes" op de markt, die echter aanvankelijk
niets anders dan instant champignonsoep waaraan wat LSD was toegevoegd bleken
te zijn. In later jaren zijn ook de echte gedroogde psilocybe paddestoelen
incidenteel verkrijgbaar.
Ook psilocybine behoort tot de indolamines en
heeft een werking die niet significant van die van LSD verschilt. De werkzame
dosis ligt rond de 10 mg.
Dimethyltryptamine
(DMT) is een krachtig
hallucinogeen met een korte werkingsduur, slechts een uur. In de zeventiger
jaren werd het aangeduid met "de bussiness man's trip". Er zijn
vermoedens dat deze stof ook in het menselijk lichaam wordt gevormd.
Schizofrenen zouden het in hun urine hebben, doch dit is nooit systematisch
bevestigd. DMT is niet oraal werkzaam, doch moet gerookt of geinjecteerd worden.
Bufotenine is een indolamine dat door vele paddesoorten,
soms in aanzienlijke hoeveelheid wordt uitgescheiden, zowel door de huid als in
de urine. Dezelfde stof is ook het werkzame bestanddeel van de Cohoba-snuif uit
Zuid-amerika.
HARMALINE EN HARMINE.
Deze stoffen behoren tot de beta-carbolines en
zijn de natuurlijke alcaloiden uit de Zuid Amerikaanse Banisteriopsis caapi.
Het zijn serotonine-antagonisten met hallucinogene en analgetische werking.
Mogelijk is er ook een interactie met benzodiazepine receptoren. Harmaline is
een der bestanddelen van "ayahuasca" een indiaanse drank die de
laatste jaren vooral weer bekendheid krijgt in het kader van de Braziliaanse
Sao Daime-religie.
De PHENETHYLAMINEN
zijn veruit de grootste groep van hallucinogenen wier werking varieert tussen
zeer sterk en zeer zwak. De belangrijken zullen hier de revue passeren.
MESCALINE.
De heilige cactus der Huichols in Mexico, de
peyotl (Lophophora williamsii) bevat mescaline.
Het werd in 1896 geïsoleerd en in 1919 gesynthetiseerd, maar het duurde tot
1927 voor de effecten ervan op de menselijke geest werden beschreven (112). Het
is een sterk hallucinogeen waarvan de effecten bij een dosis van circa 400 mg
niet onderdoen voor die van LSD. Werkingsduur: 10-12 uur.
Tegenwoordig is deze stof niet of nauwelijks
verkrijgbaar. De capsules die al in het begin der zeventiger jaren aangeprezen
werden als mescaline bleken deze stof in werkelijkheid nimmer bevatten. Dit was
het hallucinogeen waarop Huxley zijn "Doors of Perception" (113)
baseerde, het oer-hallucinogeen, dat de standaard is van alle hallucinogenen.
DE ENTACTOGENEN:MDA, MDMA en MDEA.
Geschiedenis.
Deze vangt aan in 1912 als de Duitse firma Merck
een patent erop aanvraagt (114), wat vervolgens verlopen is zonder dat er
gebruik van gemaakt is. Ze duiken weer op als het Amerikaanse leger
belangstelling toont voor de hallucinogenen en in 1953/54 onderzoek laat
verrichten naar o.a. MDA en MDMA als waarheidsserum, waarvoor ze ongeschikt
bleken. De resultaten ervan werden pas 1973 gepubliceerd (115). MDA werd
populair in de zestiger jaren, MDMA werd in 1972 voor het eerst als straatdrug
geïdentificeerd (116).
In 1978 publiceren Shulgin en Nichols (117) een
wetenschappelijk artikel over de structuur en de werking van o.a. MDA en MDMA.
Deze kennis was echter reeds geruime tijd aanwezig, o.a. bij een aantal psychotherapeuten
die in toenemende mate MDMA toepasten als hulpmiddel bij psychotherapie
(118,119). In 1981 kreeg het de naam waaronder het nu bekend is Ecstasy of XTC
en begon het recreatief gebruik (als genotsmiddel) in de Verenigde Staten en
wat later ook daarbuiten zich snel te verbreiden. In Dallas waar op de
Southern Methodist University alcohol was verboden, kochten studenten legaal
MDMA als vervangmiddel en betaalden met credit card. De consumptie in de V.S.
nam toe van 10 000 doses in heel 1976 tot 30 000 doses per maand in 1985 (120).
Tezelfdertijd rapporteerde de Drug Enforcement Administration (DEA) dat er
alleen in de staat Texas reeds 30 000 doses per maand zouden worden gebruikt.
Bij een enquête in 1987 bleek dat 40% van de studenten op de campus van
Stanford University MDMA hadden gebruikt (121). In 1985 wordt MDMA door de Drug
Enforcement Administration verboden met eenzelfde status als heroine en LSD.
MDMA werd ook door de volgelingen van Baghwan
gebruikt en via en verspreidde het zich naar Europa. Daar kreeg het gebruik een
andere context. Allereerst op Ibiza, waar de combinatie werd gevonden tussen
XTC en dansen op snoeiharde electronische muziek in een exotische
uitgaanssfeer. Van daar verspreidde dit zich i.h.b. naar Engeland en Nederland
waar een nieuwe jeugdcultuur ontstond die zich nu over heel Europa verspreid:
de "raves"
Het blijkt dat er onder de naam XTC een groot
aantal stoffen worden verkocht waaronder amphetamine, ketamine, PCP, coffeine
en daarnaast een reeks van "normale" geneesmiddelen als pure
vervalsingen (122). Wij zullen de belangrijkste entactogenen die al dan niet
onder de naam XTC worden verkocht hieronder de revue laten passeren.
METHYLEENDIOXYAMPHETAMINE (MDA)
Shulgin (123) beschrijft het hallucinogene effect
van MDA als volgt: it "produces eyes-closed hallucinations of a commanding
sort. There is quite consistently a recollection of past events, of childhood
memories, a reliving of earlier times that appear to be, as far as can be
documented, quite accurate."
MDA bleek uniek doordat het vooral emoties en
empathie in hoge mate versterkt en een sterke emotionele band schept met andere
aanwezigen. Het waren deze effecten die MDA populair maakten als
"recreatie drug". Daarnaast heeft MDA een duidelijke
sympathicomimetische activiteit.
De gebruikelijke dosering is 80-160 mg, de
werkingsduur 8-12 uur. In het kader van het zoeken naar een waarheidsserum is
deze stof door het amerikaanse leger toegediend aan een aantal, soms onwetende,
proefpersonen. In een geval, een psychiatrische patient, verliep dit dodelijk
na intraveneuze toediening van 500 mg (124).
METHYLEENDIOXYMETAMPHETAMINE (MDMA)
"Het eerste effect wordt heel snel, binnen
een half uur na toediening waargenomen. De meeste proefpersonen rapporteren
dat het plateau van het effect aanvangt binnen nog een half uur á een uur. De
intoxicatieverschijnselen zijn grotendeels verdwenen na nog eens twee uur,
afgezien van een milde resterende sympathicomimetische stimulering, die nog
enkele uren kan voortduren. Er zijn weinig fysieke intoxicatie-verschijnselen
en psychologische naverschijnselen zijn praktisch afwezig. Kwalitatief lijkt
de drug een gemakkelijk te controleren veranderde bewustzijnstoestand op te
roepen met emotionele en sensuele overtonen. Het kan wat betreft effect
worden vergeleken met marijuana, met psilocybine zonder de hallucinatoire
component of met lage doseringen MDA.(117)"
Tien jaar later gaf een anonieme informant, een
keurige vijftiger, het effect weer met:
"De drug neemt al je neurosen weg. Het neemt
de angst voor antwoord weg. Er is een overweldigend gevoel van vrede, je bent
in vrede met de wereld. Je voelt je open, helder, liefhebbend. Ik kan me niet
voorstellen dat iemand boos is onder haar invloed, of zelfzuchtig is of laag
of defensief. Je hebt een boel inzicht in jezelf, echt inzicht, dat je bijblijft als de ervaring voorbij
is"(125).
METHYLEENDIOXYETHYLAMPHETAMINE (MDEA).
Deze variant verschilt slechts zeer weinig van
MDMA. Het is iets zwakker: de dosering ligt rond de 135 mg en dse werkingsduur
is 3-5 uur. Het belangrijkste verschil met MDMA is dat "het bijzondere,
magische effect en de affectieve overdracht lijken te ontbreken" (124).
De sympathicomimetische effecten van de
entactogenen.
Downing (126) en Hayner & McKinney (127)
registreerden de volgende effecten: verhoging
van bloeddruk en polsfrequentie, onveranderd bewustzijn, het denken
bleef helder, geen hallucinaties,
intact korte-termijn geheugen, pupilverwijding, lichte motorische coördinatie-stoornissen (i.h.b. een
hoge spanning in de kaakspier), een verhoogde sensuele bewustheid, slechts zelden sexuele opwinding, misselijkheid kan optreden, het hongergevoel verdwijnt, normaal electrocardiogram. Conclusie:
"this study indicates no significant immediate or subsequent
neurobehavioral consequences from the use of MDMA within the parameters
examined". Al deze effecten zijn te verklaren uit de stimulerende werking
van MDMA.
Ook de restverschijnselen die zijn beschreven,
vermoeidheid en uitputting, depressie, in enkele gevallen de langerdurende
psychose, volgen daaruit m.u.v. de depressie die soms gedurende kortere tijd
volgt.
De meest frequent gepresenteerde problemen zijn:
angstigheid, versnelde hartslag, en in ernstige gevallen paranoia. De
behandeling is symptomatisch. Meestal kan volstaan worden met de uitleg dat
dit effecten zijn van een te hoge dosering en dat deze effecten verdwijnen als
de drug is uitgewerkt. 'Talk down' zoals bij LSD-reacties wordt toegepast helpt
in veruit de meeste gevallen. Het is over als de drug is uitgewerkt. In enkele
gevallen waarin de angst aanblijft, kunnen cliënten terugkomen voor enkele
counselling-sessies die zelden langer dan een week worden voortgezet, tenzij de
cliënt andere drug of emotionele problemen heeft (128).
Tenslotte
zou MDMA de weerstand tegen infecties kunnen verlagen. In de V.S. worden
(virale) luchtweg infecties genoemd (129), terwijl nederlandse gebruikers met
name gewag maken van urineweg-infecties bij vrouwelijke gebruikers (130). Dat er discussie wordt gevoerd over een
eventuele hallucinogene werking van MDMA wordt waarschijnlijk veroorzaakt door
het feit dat gebruikers regelmatig (lichte) hallucinaties melden, maar het
nooit zeker dat zij werkelijk MDMA hebben gebruikt: zij kunnen immers ook LSD
in lage doseringen of MDA als XTC hebben gekocht. Verder zijn er aanwijzingen
dat MDMA in het lichaam voor een klein deel wordt omgezet in MDA (131). Bij
gebruikelijke doseringen is deze omzetting onbelangrijk maar bij hoge
doseringen zou dit lichte hallucinaties kunnen veroorzaken.
Een aantal medische publicaties en de massa media
hebben de aandacht gevestigd op een aantal sterfgevallen onder gebruikers. De
volgende acute complicaties worden erin beschreven
(132,133,134,135,136,137,138,139,140,141,142,143):
- cardiale complicaties,
- hyperthermie/hyperpyrexie (oververhitting)
resulterend in rhabdomyolysis, diffuse intravasale stolling en nierfalen;
- hepatotoxiciteit,
- psychosen.
De cardiale complicaties kwamen onveranderlijk
voor bij personen met reeds bestaand, zij het soms onbekend, hartlijden. De
hyperthermie met alle levensbedreigende complicaties is al lang bekend als een
zeldzame complicatie van amphetamine overdosis, waarschijnlijk gebaseerd op een
individuele "ideosyncratische" gevoeligheid (144). Hepatotoxiciteit
is een nieuw fenomeen in relatie tot amphetamine-achtige stoffen, maar
psychosen zijn goed bekend als doorgaans voorbijgaande complicaties bij daarvoor
gevoelige personen.
Dan zijn er nog aanwijzingen uit dierexperimenten dat MDMA de serotoninerge
zenuwuiteinden zou kunnen beschadigen (145). Bij mensen is het niet gelukt dit
aan te tonen (146).
Wel bleek een aantal proefpersonen die gemiddeld 95
maal XTC gebruikt hadden in 5 jaar, significant lagere spiegels hadden van een
indicator van de serotoninefunctie in de hersenen, maar er ontbreken gegevens
over dit niveau voor zijn XTC begonnen te nemen. Wel bleken deze proefpersonen
significant minder impulsief en vijandig te zijn en meer controle over zichzelf
te hebben dan de controle-groep die geen
XTC had gebruikt (147). Aangezien de laatste trekken gedragsaspecten betreft
die geacht worden door serotonine te worden gemedieerd, kan dit als een aanwijzing
gezien worden dat er veranderingen hebben kunnen plaatsvinden in het
serotoninegehalte, maar of deze eventuele veranderingen negatief moeten worden
gewaardeerd , blijft een kwestie van opinie. Trouwens velen krijgen chronisch
drugs als het verwante fenfluramine,
een eetlustonderdrukker, voorgeschreven
waarvan dezelfde neurotoxische effecten zijnj
beschreven of als fluoxetine
(Prozac), waarvan de lange termijn effecten zelfs nooit zijn onderzocht.
Het moge duidelijk zijn dat deze complicaties, hoe
dramatisch ook op het niveau van het individu, zeer zeldzaam zijn, wanneer we
ze relateren aan de geschatte omvang van het gebruik van XTC.
Het werkingsmwechanisme van de entactogenen.
MDMA verhoogt de afscheiding van serotonine in de
synapsen sterk verhoogt en remt tevens de re-uptake van serotonine remt. Niet
alleen MDMA doet dit, maar ook MDA en amphetamine hebben dit effect. Alleen
remmen MDMA en MDA de serotonine re-uptake 5x zo sterk als amphetamine en
minstens 20 x zo sterk als DOM, een echt hallucinogeen (148). Daarnaast remmen
MDA en MDMA ook de noradrenaline re-uptake redelijk krachtig. Dit laatste is
vooral de oorzaak van de sympathicomimetische werking van MDMA.
MDA
blokkeert de re-uptake van dopamine, MDMA doet dit al veel minder, terwijl DOM
dit in het geheel niet doet. Ook dit is
weer een bewijs dat MDA en MDMA in dit opzicht tot een geheel andere klasse van
stoffen behoren dan de echte hallucinogenen.
MUSCIMOL.
Deze stof is het hallucinogeen uit de vliegenzwam,
die door de noordoost aziatische shamanen werd gebruikt, en die zich sterk
bindt aan de GABA-receptor.
ATROPINE.
Atropine, scopolamine en aanverwante tropanen
bevinden zich in de diverse soorten nachtschade. De belangrijkste zijn Atropa
belladonna en Datura stramonium. Dit waren belangrijke bestanddelen van de
europese heksendrankjes. Een ervan werd gebruikt door het op de vaginale labia
te smeren. Deze praktijk zou de bron zijn van de verhalen over de ingesmeerde
bezemsteel van de heksen. Met name scopolamine wordt gezien als de veroorzaker
van de vliegillusie (149).
DE ARYLCYCLOHEXYLAMINES: PCP EN KETAMINE.
Phencyclidine (PCP), werd ontwikkeld voor analgesie en anaesthesie, maar is nu obsoleet wegens
postoperatieve psychosen. Het wordt nog wel in de veeartsenijkunde gebruikt.
Het veroorzaakt sedering, bewegingsloosheid, amnesie en analgesie. Hiervoor
wordt de naam "dissociatieve anaesthesie" gebruikt.
Als anaestheticum werd het vervangen door ketamine (merknaam Ketalar) (150). Er
rust geen patent op. Ook in Hongarije en Yoegoslavië wordt ketamine
gefabriceerd. PCP en ketamine werken op de cortex en het limbisch systeem.
Toediening leidt tot snel intredende analgesie en amnesie. Bewusteloosheid
duurt 10-15 min. na i.v. toediening,
analgesie 40 minuten terwijl de amnesie 1 tot 2 uur duurt. Het bijkomen kan
uren duren soms gepaard gaande met
onaangename dromen en hallucinaties. Bijna 50 % van de personen boven de 30
ondervindt excitatie/delirium of heeft last van visuele hallucinaties. Bij
kinderen en jong volwassenen is dit veel ongebruikelijker, vandaar dat het vnl.
in de kinderchirurgie wordt toegepast.
De intracerebrale druk, de intraoculaire druk en
de cerebrale doorbloeding nemen toe. De
pharyngeale en laryngeale reflexen blijven intact. De hoestreflex wordt
onderdrukt, de weerstand der luchtwegen vermindert, bronchospasmen worden
opgeheven.
Spierverslapping is gering, de spiertonus kan
toenemen, soms worden doelloze bewegingen gemaakt. Het metabolisme wordt
verhoogd. Het heeft vele bijwerkingen: bizar en gewelddadig gedrag,
hallucinaties, agitatie, catatone rigiditeit, disorientatie, incoordinatie,
nystagmus, hypersalivatie, braken, convulsies, numbness, hypertensie, tachycardia, cardiovasculaire
depressie is zeldzaam. Maligne hyperpyrexia met rhabdomyolyse leidend tot renal
failure kan optreden.
De behandeling van alle toxische verschijnselen is
symptomatisch. De toxische psychose is niet te onderscheiden van schizophrenie.
Haloperidol verdient de voorkeur boven chlorpromazine. Zure urine versterkt de
uitscheiding.
Er zijn vele contraindicaties: glaucoom,
hypertensie, cerebrovasculair accident in de anamnese, hartzwakte, verhoogde
intracraniele druk, psychiatrische afwijkingen i.h.b. schizofrenie.
Het werkt in op de NMDA receptor en inhibeert de
reuptake van dopamine, serotonine en noradrenaline. Zelfinjectiegedrag treedt
op bij apen met PCP.
PCP verscheen als straatdrug in de zestiger jaren
onder velerlei namen: angels dust, angel hair, angel mist, crystal, cyclone,
horse tranquillizer, dust, killer weed, scuffle, peace weed, peace pills
(151,152,153,154). Het is in Europa niet populair geworden.


